De gemeente van Christus in het……. O & NT.

DE GEMEENTE VAN CHRISTUS IN HET OUDE NIEUWE
TESTAMENT

Inleiding

Het feit dat in de Bijbel het woord “kerk” (grieks: Ekklesia) alleen in het Nieuwe Testa­ment voorkomt is de oorzaak van een wijdver­breid geloof, dat de kerk een geheel
nieuwe organi­satie is, die na de opstanding van onze Messias werd opgericht en
waarover in het Oude Testament niets bekend was.

De ke rk(?) beweerd tevens dat zij de uitverko­ren bruid, het geestelijk Israël zijn. En
dat de Here Jezus voor het ganse mensdom gestorven is. Welke Schrif­tuurlijke
bewijzen hebben zij hiervoor? Het woord kerk komt in de gehele Bijbel niet
voor. Er wordt wel van gemeenten gespro­ken. Wie is dan de uitverkoren bruid
als het de kerk niet is? Wij zullen aantonen dat, dat het fysieke volk Israël is
en dat de Messias slecht voor dit Volk gestorven is. Het Oude Testa­ment staat
vol van Israël als het fysieke uitverkoren volk van God

De Gemeente van de Gezalfde Koning van Israël

Sommigen zullen er misschien wel vreemd van opkijken – maar als men even verder doordenkt, zal men tot de overtui­ging komen, dat noch onze Heer, noch Stefanus het Griekse woord ‘ekklesia’ hebben gebruikt, net zo min als het Engelse woord ‘Church’ (=
kerk) of het Neder­landse ‘gemeente’. De Messias en Stefanus hebben allebei in
het Aramees gespro­ken, dat was het dialect van het Hebreeuws, dat in hun tijd
door de Joden in Palestina werd gesproken en waarin dezelf­de Hebreeuwse termen
in de Bijbel voor de meeste religieu­ze ideeën en ge­bruiken voorkwamen. Het
was Mattheüs, de vaardige schrij­ver onder de twaalf apostelen en Lucas, de
reisgenoot van Paulus, die de woorden van onze Koning en van Stefanus in het
Grieks vertaalden, waarin het woord ‘ekklesia’ voorkomt.

Als het dan nu voor ons mogelijk is na te gaan, wat onze Koning eigenlijk zei, dat Hij op deze Rots zou bouwen, welk woord Hij en Stefanus hebben gebruikt, dat door Mattheüs
en Lucas in het Grieks is vertaald door ‘ekklesia’, zijn we een eind verder op
weg de identiteit en de aard van de kerk te ontdek­ken.

Onderzoek de Schriften

Toen onze Koning tegen de Joden zei: “Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben en deze zijn het, welke van Mij getuigen” (Johannes 5:39), verwees Hij naar het Oude Testament, want het Nieuwe Tes­ta­ment was nog niet geschreven. Ook de nobele mensen uit Berea, die dagelijks de Schriften onderzochten, (Handelingen 17:11), bestudeer­den het Oude Testament. Er was immers noch geen Nieuw
Testament geschreven. Dit gegeven wordt door veel christenen genegeerd.

Johannes 5:39:“Gij onderzoekt de Schriften, want gij meent daarin eeuwig leven te hebben, en deze zijn het, welke van Mij getuigen”.

Handelingen 17:11:“En dezen onderscheidden zich gunstig
van die te Tessa­lonica, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aan­na­men
en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren”.

De apostelen maakten steeds gebruik van de oudtestamentische geschriften en niet alleen in het originele Hebreeuws. Zij hadden zich de Griekse vertaling, de Septuagint, geheel en al eigen gemaakt. Deze was 250 jaar eerder door Joden ge­maakt en dat was de enige geautoriseerde vertaling in hun dagen. Zowel Mattheüs als Lucas gebruiken geregeld aanhalin­gen uit het Oude Testament en als zij in het Grieks schrijven, wordt bijna altijd
uit de Septuagint aangehaald. Het zou dus mogelijk moeten zijn, bij een
vergelijking van het Hebreeuws van het Oude Testament met het Grieks van de
Septuagint, met een grote mate van zekerheid vast te stellen, welk woord onze
Koning gebruikte, dat Mattheüs juist oordeelde door het wo­ord ‘ekklesia’ (=
kerk of gemeente te vertalen in de belofte ‘Op deze Rots zal ik mijn gemeente
(ekklesia) bouwen’.

Christus en de ‘qahal’

Het staat zonder enige redelijke twijfel vast, dat ‘qahal’ het enige Hebreeuwse woord was, dat voor het Joodse begrip de exacte weergave was van ‘ekklesia’, het woord dat door Mat­theüs en Lucas vertaald werd door ‘ekklesia’. Dit maakt het zo duidelijk als maar mogelijk is, dat hetgeen onze Koning tegen Petrus zei, was: “Op deze Rots zal Ik Mijn ‘qahal’
bouwen”.

De ‘ekklesia’ is een ‘geroepen’ volk (het Griekse ‘ek’ of ‘Exodus’ betekent: uit: en ‘kaleo’ betekent: roepen) Er bestaat een veel voorkomende, maar geheel verkeerde opvatting, dat dit ‘uit­roepen’ op de Pinksterdag begon en de navolgers van het bede­lingengeloof werken verder aan dit punt om te bewijzen, dat het begrip van een speciaal uitgeroepen volk
niet bestond voordat het woord ‘ekklesia’ in het Nieuwe Testament werd
gebruikt. Daarom is het interessant op te merken hoe sterk in de Joodse
gedachtewereld het begrip was van uitgeroepen te zijn in de ‘qahal’

We gaan nu terug naar de eerste verschijning van de ‘qahal’, de twee plaatsen, waar onze vertaling het heeft over ‘menigte’. Het komt niet voor in een van de beloften aan Abraham gegeven, want zijn zaad omvatte Ismaëlieten, Edomieten en anderen, die niet tot het
‘geroepen’ geslacht behoorden.

We vinden de ‘qahal’ voor het eerst genoemd in de belofte, die Isaäk aan Jakob gaf (Genesis 28:3) en die Jakob later tegen Jozef aanhaalde (Genesis 48:4) als door de Almachtige God Zelf aan hem gegeven.

Genesis 28:3:“En God, de Almachtige, zegene u, Hij make u vrucht­baar en vermenigvuldige u, zodat gij tot een menigte van volken wordt”.

Genesis 48:4:“En tot mij gezegd: zie, Ik zal u vruchtbaar maken, u vermenigvuldigen en u maken tot een menigte van volken; Ik zal dit land aan uw nageslacht geven tot een altoosdu­rende bezitting”.

Deze beide beloften verwijzen naar het zaad van Israël en geen ander. Het zaad van Jakob zou niet zo maar een gemeng­de ‘menigte’ worden, maar een ‘qahal’, een ‘ekkle­sia’, een gemeen­te van volkeren (volkeren in het meervoud!).

Hier hebben we onze eerste belofte van de nationale Gemeen­te. Hier en niet in de belofte van onze Koning aan Petrus, krijgen we voor het eerst zicht op de Gemeente, als een geroe­pen lichaam, afgescheiden van de naties van de wereld. De belofte van Christus om Zijn
‘qahal’ op de Rots te bouwen, had betrekking op een instelling, waarmee Petrus
en alle Joden reeds bekend waren, een lichaam, dat al bestaan had sinds de
dagen van de aartsvaders.

Om het juist te zeggen, omvatte de ‘qahal’ of ‘ekklesia’ alle twaalf stammen der kinderen Israëls, maar na de scheiding der natie in twee koninkrijken, wordt er een nieuwe noot aan toegevoegd. Het noordelijke koninkrijk dat tot afgoderij was vervallen werd van de ‘qahal’
afgesneden, althans voorlopig. Bij de kroning van de jonge koning Joas lezen we
(2 Kronie­ken 23:3): “Toen sloot de gehele gemeente (qahal) een verbond met
de koning”.

Maar de Septuagint geeft in plaats van ‘qahal’ ‘ekklesia louda’ (de gemeente van Juda), dit verklaren­de woord ‘louda’ wordt er bijgevoegd en is niet in de Engelse en Neder­landse vertalingen weergegeven. Het toont aan dat de hier besproken ‘ekklesia’ alleen Juda betrof. Jehu regeerde in die tijd over de tien stammen.

Het hieraan toegevoegde woord ‘louda’ blijkt aan te geven dat Israël van het noordelijk koninkrijk in die tijd ook aanspraak zou kunnen maken de ‘ekklesia’ te zijn, zodat er dan twee gegadigden voor de titel zouden zijn, maar in de ogen van Juda was Israël een afvallige ‘ekklesia’.

Die noordelijke ‘ekklesia’ was de onvruchtbare vrouw, die niet gebaard had en onmoge­lijk een kind ter wereld kon brengen, terwijl De Judese ‘ekkle­sia’ de getrouwde vrouw was. Jesaja 54).

Jesaja 54:1:”“Jubel, gij onvruchtbare, die niet
gebaard hebt; breek uit in gejubel en juich, gij die geen weeën gekend hebt,
want de kinderen der eenzame zijn talrijker dan de kinderen der gehuwde, zegt
de Here”.

Op het bevel van de Vader in de wijngaard te werken, had Juda plichtsgetrouwe gezegd: “Ik ga, Heer” terwijl Israël had gezegd: “Ik ga niet!” en daardoor leek het, alsof de
Juda de zoon was, die de wil van de Vader had gedaan. Al die jaren had de
Judese natie de Vader gediend en ook hadden zij nooit bewust Zijn gebod
overtreden, terwijl Israël, de verloren zoon, in een ver land verbleef. De
Judeër kon de Vader al haast horen zeggen: “Zoon, gij zijt altijd bij mij en
al het Mijne is het uwe!”
Hij was er zeker van, dat als het gemeste kalf
zou worden geslacht, de muziek en de dans ter ere van hem zou zijn en zeker
niet ter ere van zijn verloren broeder.

Ofschoon de ‘ekklesia louda’ slechts een overblijfsel was van de oorspronkelijke ‘ekklesia’ van de twaalf stammen, was zij een tijdlang wel een getrouw overblijfsel en als de ‘ekklesia’ Gods eigendom. Daarom wordt na de terugkeer uit Babel ‘qahal’ (Septuagint:
‘ekklesia’) steeds weer gebruikt voor de groep Joden, die terugkeerden.

Ezra 2:64:“De gehele gemeente tezamen was tweeënveertigdui­zend
driehonderd zestig”.

Nehemia 5:13: “Ook schudde ik de boezem van mijn kleed
uit en zeide: Zo zal God iedere man die dit woord niet gestand doet,
uitschudden uit zijn huis en uit zijn bezit en zo zal hij uitgeschud en leeg
zijn. En de gehele gemeente zeide: Amen, en zij loofden de Here. Het gehele
volk deed volgens deze afspraak”.

Nehemia 7:66:“De gehele gemeente tezamen was
tweeënveertigduizend driehonderd zestig”.

Nehemia 8:18:“De gehele gemeente van hen die uit de ballingschap waren teruggekeerd, maakte loofhutten en woonde in de loofhutten.  Zo hadden de Israëlieten niet gedaan sinds de dagen van Jozua, de zoon van Nun, tot op die dag. Er heerste dus zeer grote vreugde”.

De Joden waren alles, wat er tot in de dagen van onze Koning was overgebleven – voor zover de mensen er van wisten – van de oorspronkelijke ‘ekklesia’. Gedurende lange tijd hadden de ‘poorten der hel de ‘ekklesia’ overweldigd, maar onze Koning beloofde aan Petrus, dat Hij aan die toe­stand een eind zou maken.

Daarom is Israël niet alleen een type van de gemeente. Israël is de Gemeente. En meer in de ware zin, dan de meesten van ons zich kunnen voorstellen, is de Gemeente niet slechts de vervanger van Israël, de Gemeente is Israël!

H et verschil tussen Israël en de Gemeente, dat de aanhangers van de bedelingenleer willen aantonen, is geheel en al bedrie­g­lijk. Er waren geen twee wegen voor behoud de één voor Israël en de andere voor de Gemeente.

Het ware Israël, of­schoon, onder de wet, werd geheel gered door genade, net zoals iedere christen heden ten dage. Abra­ham, evenals alle heiligen in Israël, werd gerechtvaardigd, niet door de werken der wet, maar door het geloof in Christus (zie Hebreeën 11).

Hebreeën 11:8:“Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok zonder te weten waar hij komen zou”.

De zegeningen, die aan Israël gegeven werden, waren zowel eeuwig­durend als tijdelijk; “zij beleden dat zij vreemdelingen en pelgrims op aarde waren’; ‘zij verlangden naar een beter land, dat is een hemels vaderland”. Zij waren mensen, vervuld met de Heilige Geest, net zo zeker als alle “wedergeboren = van boven verwekten” heiligen in het Nieuwe
Testament. En we hebben de definitieve verze­kering, dat ‘heel’ Israël behouden zal worden.

Romeinen 11:26. “En aldus zal gans Israël behouden worden, gelijk ge­schreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden”.

Wat was dan het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen was geweest, maar geopenbaard werd aan de heili­gen en door Paulus gepredikt?

Kolossenzen 1:26: “Het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verbor­gen is geweest, maar thans geopenbaard aan zijn heili­gen”. (Apartgestelden Israëlieten).

Was het dat er een nieuw lichaam zou verrijzen om de plaats in te nemen van ­Gods uitverkoren volk? Nee, het was dit dat de heidenen (verheidenste 10 stammen) (Engels: Gentiles) me­deërfgenamen zouden zijn, mede­leden en medege­noten van Zijn belofte in Christus, door het evangelie.

Efziërs 3:6. “Dit geheimenis, dat de heidenen medeërfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie”.

De goede olijfboom, dat is de Gemeente, werd geplant toen Abraham uit Ur der Chaldeeën geroepen werd en overgeplant, toen Israël uit Egypte werd geroepen. Het was geen nieuwe of een andere olijfboom, die op Pinksteren werd geplant; het was niet zo, dat de volgelingen van Christus afgescheiden waren van de olijfboom. Het is waar dat de olijfboom enige verande­ringen heeft ondergaan:

Romeinen 11:17-24: “Indien nu enkele van de takken weggebroken zijn en gij als wilde loot daartussen geënt zijt en aan de saprijke wortel van de olijf deel hebt gekregen, 18) beroem u dan niet tegen de takken! Indien gij u ertegen beroemt – niet gij draagt de wortel, maar de wortel u. Gij zult dan zeggen: er zijn takken weggebroken, opdat ik als loot geënt zou worden. Goed! Zij zijn om hun ongeloof weggebroken en gij staat door het
geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees!  Want indien God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, Hij zal ook u niet sparen. Let dan op de goedertierenheid Gods en zijn gestrengheid: over de gevallen gestrengheid, maar over u goedertierenheid Gods, indien gij bij de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij weggekapt worden. Maar ook zij
zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weder geënt worden; God is
im­mers bij machte hen opnieuw te enten.Want indien gij uit de wilde olijf,
waartoe gij naar uw natuur be­hoort, weggekapt en tegen uw natuur op de edele
olijf geënt zijt, hoeveel te meer zullen dezen, naar hun na­tuur, op hun eigen
olijf geënt worden”.

Enige takken, de ongelovige Judeërs, zijn ‘afgebroken’; zij be­hoorden tot de olijfboom, waren uiterlijk tot de Gemeente toegetreden en zeiden, dat zij de Koning verwachten, voordat Christus aan Israël geopenbaard werd. Andere takken, dat waren de gelovi­ge heidenen (gentiles=verheidenste Israëlie­ten), werden op de olijfboom geënt en werden
leden der Gemeente. Maar de identiteit van de olijfboom werd door deze
veranderingen niet aangetast. De ‘wortel’ bleef onveranderd en was nog steeds
de ‘ekklesia’ de ‘qahal’ en in de meeste ware en volle betekenis ‘HET ISRAËL
GODS’.

——–oOo———

 

 

Galaten 6:16.

“En allen, die zich naar die regel
zullen richten – vrede en barmhartigheid kome over hen, en ook over het Israël
Gods”.

 

 

 

 

 

2 Reacties op De gemeente van Christus in het……. O & NT.

  1. Cees van Herpen zegt:

    Hoi mannenbroeders, bedankt voor jullie uitleg. Zelf grootgebracht in de Nederlands Hervormde Kerk en later de Vergadering, ben ik opgegroeid met de gedachte dat op het Pinksterfeest, na de hemelvaart van de Here Jezus Christus, de Gemeente voor het eerst was begonnen. Al bijbellezend, begon het toch te knagen. Is er nu werkelijk sprake van twee volken, namelijk Joden die in de Here Jezus gelovigen, en heidenen, die dan de Gemeente zouden zijn? Jullie uitleg is erg duidelijk en komt overeen met wat ik zelf gevonden heb, maar nog niet zo mooi op een rijtje gezet heb. Dank jullie wel en Gods zegen.

    Cees van Herpen

  2. K.Rustenburg zegt:

    Met zeer veel belangstelling lees ik jullie artikelen. Heel goed en duidelijk uitgelegd en verklaard. Enorm dank hiervoor!
    Wat mij minder bevalt zijn woorden als: Westerse Blanke Protestanten of Christenen!

    De Joden zijn van oudsher niet blank! En er zijn ook goede christenen onder niet blanke volkeren! Ik zou graag willen weten waarom dat woord “Blank” steeds wordt gebruikt i.v.m. het Christendom.
    Ik kan u verzekeren, op grond van Godswoord, dat hij niet naar de blanke huid zal kijken, bij de grote oogst!

    Verder ben ik zeer dankbaar voor wat jullie doen, schrijven…..ik was ook één van de mensen die ook bijna in slaap was gevallen als het om Rusland gaat als gevaar voor de toekomst. Nu ben ook ik gewaarschuwd!

    Vr. Grt.

    Kenneth

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>