MIJN VOLK ISRAËL

MIJN VOLK ISRAËL

 Door kolonel G.J. van Loon

Inleiding

Er zijn mensen, die wanneer zij de Bijbel willen lezen en willen kennen, beginnen met het eerste vers van Genesis en eindigen met het laatste vers van de Openbaring. Nu is Bijbel lezen altijd nuttig en nodig, doch de hier genoemde methode is niet de aangewezene om de schrift te leren begrijpen. Zoals het samenstellen van een legpuzzel uit duizenden stukjes een vrijwel onbegonnen werk is, wanneer men het beeld niet kent, dat tenslotte daaruit moet worden gemaakt. Zo blijft het aantal teksten van de Bijbel, meer als 31.000 een onbegrepen geheel voor de lezer die geen besef heeft van de grote lijn van dit boek, waaromheen zich de verschillende Boeken, hoofdstukken en verzen in logisch verband groeperen. De hier bedoelde lijn nu is deze: de hoofdfiguur van de Bijbel is God en een zeer speciaal volk, dat een zeer speciale taak in de wereld heeft te vervullen, ook thans in onze dagen. Welk volk is dit, waar kwam het vandaan, wat is zijn geschiedenis en welke zijn taak?

Voor de voorgeschiedenis van dit volk zullen we beginnen bij het einde van de Zondvloed.

Noach en diens drie zonen met hun vrouwen werden gered en Genesis 10 vermeldt de afstammelingen van deze zonen. Voor ons doel hebben we alleen te maken met die van Sem, die we kunnen vinden in Genesis 11:1 0-26. Hier stuiten we op een naam, die we verder door geheel de Bijbel zullen tegenkomen: Abram. Reeds hier, bij het allereerste begin, moeten we ons vertrouwd maken met het feit dat deze man geen Jood was of Israëliet: Hij was zoals Genesis 14:13 zegt: een Hebreeër. De verklaring waarom hij geen Jood was en de daarmede samenhangende consequenties kunnen eerst later ter sprake komen.

Volstaan mogen hier worden met erop te wijzen, dat de motivering dat hij een Jood zou zijn omdat hij een voorvader der latere Joden is geweest, met precies hetzelfde recht kan worden verklaard van Noach en van Adam. In deze man Abram ontmoeten we een der allervoornaamste figuren uit de Bijbel en van dit punt af verandert ook het karakter van de schrift; tot dit punt lezen we van de verschillende personen weinig meer dan hun naam en leeftijd. Doch van nu af begint een historie.

Een historie van deze man en zijn vrouwen verwanten, vaak tot in details. De betekenis van Abram zien we al direct in het 1e vers van hoofdstuk 12 waar ons wordt gezegd, dat GOD tot hem sprak.

Genesis 12:1:“En de Here zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uwe maagschap en uit uws vaders huis, naar een land dat Ik u wijzen zal “.

Met welk doel ontving hij deze opdracht? De verzen 2 en 3 geven hierop het antwoord.

Genesis 12:2:“Zo zal Ik u maken tot een groot volk en 11 zegenen, en uw naam zal Ik groot maken, en gij zult tot een zegen zijn “.

Vers 3:“Ik zal zegenen die u zegenen en die u vloeken zal Ik vloeken en alle volken der aarde zullen zegen wensend u als voorbeeld noemen “.

Hier hebben we het begin van de historische lijn, welke zal voeren tot de vorming van een groot volk, het volk, dat door de schrift zal heten: MIJN VOLK. Men geve er zich terdege rekening van dat deze beloften aan generlei voorwaarden zijn gebonden. God zegt: “Ik zal en gij zult”. Geen enkele beperking in verband met leven en gedrag van Abram is hier gesteld. Deze beloften zijn ONVOORWAARDELIJK.

Deze beloften worden later nog uitgebreid wanneer Abram aangekomen is in het land Kanaän: zegt God tot hem “Aan uw zaad (sperma) zal Ik dit land geven.”

Lees Genesis 12:7. Wederom zonder voorwaarde. In hoofdstuk 13: 14-18 lezen we wederom:

“En de Here zeide tot Abram, nadat Lot zich van hem gescheiden had: Sla toch uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt, naar het noorden, zuiden, oosten en westen, want het gehele land, dat gij ziet. zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven. En Ik zal uw geslacht maken als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zou kunnen tellen, ook uw nageslacht te tellen zou zijn. Sta op, doorwandel het land in zijn lengte en breedte, want u zal Ik het geven. Daarna sloeg Abram zijn tenten op en ging wonen bij de terebinten Mamre, bij Hebron. en hij bouwde daar een altaar voor de Here” .

Wederom geen voorwaarden.

Dan rijst bij Abram de twijfel aan Gods beloften. Hoe kan hij ooit tot een groot volk worden? Genesis 11:30 en Genesis 16:1-2.

Genesis 11:30:“Sarai nu was onvruchtbaar; zij had geen kinderen “.

Genesis 16:1-2:“Sarai nu, de vrouw van Abram, schonk hem geen kinderen, en zij had een Egyptische slavin, wier naam was Hagar. En Sarai zeide tot Abram: Zie toch, de Here heeft mij niet vergund te baren; ga toch tot mijn slavin; misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram luisterde naar Sarai”.

Dan echter verzekert God hem, dat die vreemde niet zijn erfgenaam zal zijn, doch zijn eigen zoon.

Genesis 15:1-6:“Hierna kwam het woord des Heren tot Abram in een gezicht: Vrees niet, Abram, Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn. En Abram zeide: Here, wat zult Gij mij geven, daar ik kinderloos heenga en de bezitter van mijn huis, dat zal deze Damascener Eliëzer zijn. En Abram zeide: Zie, mij hebt Gij geen nakroost gegeven, en nu moet een onderhorige mijn erfgenaam zijn. En zie, het woord des Heren kwam tot hem: Deze zal uw erfgenaam niet zijn, maar uw lijfelijke zoon, die zal uw erfgenaam zijn. Toen leidde Hij hem naar buiten, en zeide: Zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw nageslacht zijn. En hij geloofde in de Here, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid”.

En dan bezegelt God zijn beloften met een VERBOND. Genesis 15: 18.

“Te dien dage sloot de Here een verbond met Abram, zeggende: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven, van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat”.

Het zestiende hoofdstuk verhaalt ons hoe de zwakke mens Abram toch weer geen vertrouwen heeft in God en als hij 85 jaar is en Sarai 75 en zij nog steeds kinderloos zijn, besluiten zij, om zelf maar te zorgen voor de nakomelingschap voor wie al die beloften bestemd waren.

En zo treedt Hagar op het toneel en wordt Ismaël geboren. Veertien jaren gaan voorbij en wederom verschijnt God aan Abram en worden wederom de beloften herhaald en dan volgt het beslissende woord: “Gij zult den naam van uwe huisvrouw niet Sarai noemen; maar haar naam zal zijn Sarah; = Edelvrouw-Prinses-Koningin “.

Genesis 16-19.

“En Ik zal haar zegenen, en ook zal Ik u uit haar een zoon schenken, ja, IK zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal; koningen van volken zullen uit haar voortkomen “.

Toen wierp Abraham zich op zijn aangezicht, lachte en zeide bij zichzelf: zal dan aan een honderdjarige een kind geboren worden, en zal Sara, een negentig jarige baren? En Abraham zeide tot God, och mocht Ismaël voor uw aangezicht leven! Maar God zeide: neen, maar uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en gij zult hem Isaäk noemen, en Ik zal mijn verbond met hem oprichten tot een eeuwig verbond, voor zijn nageslacht”,

En de vervulling van deze beloften zien we in Genesis 21: 1- 3.

“De Here bezocht Sara, zoals Hij gezegd had, en de Here deed aan Sara, zoals Hij gesproken had. En Sara werd zwanger, en zij baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, te bestemder tijd, waarvan God tot hem gesproken had. En Abraham noemde de zoon, die hem geboren was, die Sara hem gebaard had Isaäk”,

Uit het vorenstaande treden twee zaken naar voren

De beloften aan en het Verbond van God met Abram, de geboorte van Isaäk, slechts mogelijk geworden door de Almacht Gods, Ten tweede. Deze bijzondere geboorte vindt haar verklaring in het feit dat God een volkomen nieuw, apart volk ging vormen, niet op de gewoon menselijke wijze uit voorvaderen ontstaan. Isaäk was de familienaam van het latere volk Israël. In Isaäk zal uw zaad genoemd worden, aldus Gods beloften en bevel. Gewezen dient nog te worden op de gebeurtenis beschreven in Genesis 22 en de opnieuw gegeven beloften genoemd in de verzen 15 tot 18.

Het verbond met Abram gaat op Isaäk over

“Toen riep de Engel des Heren ten tweeden male van de hemel tot Abraham en zeide: Ik zweer bij Mijzelf luidt het woord des Heren: omdat gij dit gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt, zal Ik u rijkelijk zegenen en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen. En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar mijn stem gehoord hebt. Toen keerde Abraham terug tot zijn knechten, en zij gingen tezamen op weg naar Berseba, en Abraham woonde te Berseba”.

Toen Abram nog eenmaal had getracht om de uit Hagar geboren Ismaël, zijn oudste zoon dus, tot voorspraak te zijn, werd hem gezegd: “En wat Ismaël betreft, Ik heb u verhoord; zie, Ik zal hem zegenen, hem vruchtbaar doen zijn en uitermate talrijk maken; twaalf vorsten zal hij verwekken, en Ik zal hem tot een groot volk stellen. Maar mijn verbond zal Ik oprichten met Isaäk, die Sara u op deze zelfde tijd in het volgende jaar baren zal” Zie ook Genesis 17: 19-20

In hoofdstuk 26:1-6 wordt het verbond op Isaäk zelf overgedragen, in vers 24 nog eens herhaald. Ook thans is er weder geen sprake enigerlei voorwaarde, aan Isaäk gesteld.

“En de Here verscheen hem in die nacht en zeide: Ik ben de God van uw vader Abraham; vrees niet, want Ik ben met u; Ik zal u zegenen en uw nageslacht vermenigvuldigen ter wille van mijn knecht Abraham”.

Het verbond gaat over op Jakob

Verschillende malen lezen we in de Bijbel, dat niet de oudste zoon het geboorterecht en de voornaamste zegening wordt gegeven, doch aan een jongere: Ismaël was de oudste zoon van Abraham doch op hem ging het verbond niet over, hetzelfde zien we gebeuren met de zonen van Isaäk, Ezau en Jakob. Weliswaar heeft Jakob zich arglistig meester gemaakt van de voor Ezau bestemde zegen, heeft hij het geboorterecht verkregen doordat Ezau dit aan hem verkocht, doch in het verloop zien we, dat God hierin geen verandering heeft gebracht. In Genesis 28:11-16 zien we het verbond met Abraham en Isaäk op Jakob overgaan.

Van Jakob dient nog vermeld, zijn worsteling aan de beek Jabbok, Bij deze gelegenheid klinkt voor de eerste maal op aarde de naam Israël

Uw naam zal voortaan niet Jakob heten maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmacht.

De naam Israël was een eretitel aangaande de verhouding van het latere volk Israël tot God. Israël = strijder met God of vorst met God. Genesis 35:10:12 betreffende de beloften aan Jakob leze men nogmaals. Zie de verzen hierboven.

“En God zeide tot hem: Gij heet Jakob; gij zult niet meer Jakob heten, maar Israël zal uw naam zijn. En Hij noemde hem Israël. En God zeide tot hem: Ik ben God de Almachtige, wees vruchtbaar en word talrijk; een volk, ja een menigte van volken, zal uit u ontstaan, en koningen zullen uit uw lendenen voortkomen. En dit land, dat Ik Abraham en Isaäk gegeven heb, zal Ik u geven; en uw nageslacht zal Ik dit land geven”.

Nogmaals zij er op gewezen, dat Abraham, Isaäk en Jakob geen Israëlieten waren, hun vrouwen Sara, Rebekka, Lea en Rachel geen Israëlitische vrouwen waren. Nog veel minder waren deze personen Joden of Jodinnen. Zij allen waren Hebreeërs en Hebreeuwse vrouwen. De zonen van Jakob waren de eerste Israëlieten, zijn dochters de eerste Israëlitische. De 12 zonen vindt men vermeld onder meer in Genesis 29:32-35, Genesis 30:6-11, 13, 18, 20,24, en 35:18.

De Israëlieten in Egypte

De Bijbel verhaalt ons hoe de lievelingszoon van Jakob, Jozef door zijn broers werd verkocht aan Ismaëlieten, die hem als slaaf verkochten aan de Egyptenaren. Dit verhaalt Genesis 37. In hoofdstuk 45 maakt Jozef, opgeklommen tot onderkoning van Egypte, zich aan zijn broers bekend en als zijn vader, Jakob, verneemt dat Jozef nog leeft, besluit hij met zijn verwanten eveneens naar Egypte te gaan Genesis 45. De 70 personen die aldaar aankomen vormde het eerste begin van het volk, dat God zich geformeerd had uit Abraham en dat uit zou groeien tot “het volk Israël”. De belofte Gods aan Abraham, Israël, tot een groot volk te maken begint in vervulling te gaan.

Het eerste boek van de Bijbel eindigt met de dood van Jozef. Hier sluit de historie van de aardsvaders Abraham, Isaäk en Jakob af. Genesis 50:24:“Ik sterf, maar God zal u gewisselijk bezoeken en Hij zal u doen optrekken uit dit land in het land hetwelk Hij Abraham, Isaäk en Jakob gezworen heeft”

De kinderen Israëls hebben 430 jaar moeten wachten eer zij het hun beloofde land zouden binnen trekken. Exodus 12:40.

De Septuagint de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Oude Testament zegt: “De tijd nu der woning, die de kinderen Israëls in Egypte en Kanaän gewoond hebben is vierhonderd jaar en dertig jaar”. Kanaän behoorde echter in die dagen aan Egypte. Dit verblijf was reeds aan Abraham medegedeeld. Genesis 15:13. En Hij zeide tot Abraham: “Weet voorzeker, dat uw nakomelingen zullen vreemdelingen zijn in een land, dat het hunnen niet is, en dat zij hen dienen zullen en dat die hen zullen verdrukken vierhonderd jaar“. Het verschil is de gegevens 400 en 430 jaren is gelegen in het feit, dat 400 zeer waarschijnlijk zijn begonnen met Isaäk (uw zaad in Genesis 15:13 en de 430 met de roeping van Abraham).

Tot zover hebben we gezien dat God zekere beloften had gedaan aan de Vaderen van Israël: Abraham, Isaäk en Jakob en dat deze beloften onvoorwaardelijk waren: dit betekent, dat deze beloften op Gods tijd in vervulling zouden gaan ongeacht de gedragingen dier vaderen of hun nakomelingen. Gewezen werd voorts op het feit, dat deze vaderen nog Israëlieten noch Joden waren. Jakob was de eerste man op aarde aan wie God de eerste titel Israël schonk. Diens zonen vormde het begin van het Volk Israël, in de schrift genoemd “Mijn Volk”. Tijdens het verblijf in Egypte werd Israël reeds tot een “groot volk”, zoals blijkt uit Exodus 1:8-10. Er volgt dan een harde verdrukking van de zijde van de Egyptenaren, welke tenslotte uitloopt op een uittocht of Exodus uit Egypte. Deze onderdrukking heeft ten gevolge gehad dat de drang naar vrijheid door alle tijden tot de dag van heden een der meest karakteristieke eigenschappen van het volk Israël gebleven is.

Het was in Egypte, dat Israël eerste minister-president onder het Theocratisch Systeem werd aangewezen in de persoon van Mozes. Aan Mozes openbaarde God zich als Jahweh. Ik zal zijn de beschermer van Israël.

Tot dat ogenblik hadden de Israëlieten God alleen gekend als El Elyon de God die tot Abraham sprak. Mozes ontving de opdracht, het volk uit te leiden naar de bestemde plaats onder leiding van God. Mozes voerde deze taak uit nadat God zijn macht getoond had in het land Egypte, deze macht aan Israël had getoond, dat de beperkte macht der tovenaars van Egypte moest onderdoen voor de almacht van hun Beschermer.

De doortocht door de Rode Zee, de leiding van de mars door een wolkkolom overdag en een vuurkolom gedurende de duisternis, de duisternis was aan de kant van de Egyptenaren. De voorziening in voedsel door het manna, al deze wonderen zouden niet nalaten om Israël te doen beseffen, dat het in God een beschermer bezat wiens macht onbegrensd is.

In de derde maand na het vertrek legerde Israël aan de voet van de berg Sinaï. Hier werd Israël door God gesteld voor een van het allergrootste belang.

Exodus 19:5-9:“Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk, dit zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken zult. Toen kwam Mozes en ontbood de oudsten van het volk en legde hun al deze woorden, die de Here hem geboden had. En het gehele volk antwoordde eenparig: Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen. En Mozes bracht de woorden van het volk wederom aan de Here over”.

Hiermede had Israël vrijwillig de bescherming van God aanvaard. zomede de voorrechten en verplichtingen welke hieruit automatisch voortvloeiden. Van dat ogenblik af was Israël onderworpen aan de Edelen Wet, de eerste stap naar dat stadium waarin het zo doortrokken zou zijn van de principes van de wet, dat het zelf de wetgever zou worden voor de wereld.

De eerste stap in deze richting lag in de instelling van de moraalcode, het grondelement waarop alle wet steunt. Dit fundament werd bij de Sinaï gegeven. En God sprak alle deze woorden, zeggende: “Ik ben de Here uw God, die u uit Egypte uit het diensthuis, uitgeleid heb. Gij zult geen anderen goden voor Mijn aangezicht hebben”.

Dit was het begin der moraalcode der wet welke door alle eeuwen voortgaat, welke nog altijd van kracht is en zal blijven voor het leven zolang de aarde bestaat.

In de boeken Exodus, Leviticus en Deuteronomium vinden we dan een opsomming van wetten en voorschriften op allerlei gebied. De stam van Levi werd door God apart gezet voor bepaalde diensten, Numeri 3:6-9, terwijl voor het priesterschap aangewezen werden Aäron, de broeder van Mozes en diens zonen Numeri 3:10.

Aldus werd Israël bij de Sinaï gevormd tot het koninkrijk van God, de stoffelijke kern van het Koninkrijk Gods op aarde. De burgers van dit Koninkrijk waren ontstaan uit de op zo wondere wijze geboren Isaäk Het gebied van dit Rijk was Goddelijk beloofd en de Constitutie door God gegeven. Als zodanig was dit Koninkrijk niet van de orde van de koninkrijken dezer wereld met hun aardse monarchieën en hun door mensen gemaakte wetten. Israël werd bij de Sinaï voorbereid voor de planting in zijn eigen land, gereed om te worden de eerste constitutionele natie ter wereld.

Tijdens de 40-jarige omzwerving in de wildernis werd Israël gezuiverd, teneinde het geschikt te maken voor zijn grote toekomst. Op het eind dezer veertig stond een georganiseerd volk met alles wat daartoe behoorde, leger, priesterschap en sociale code – klaar om over de Jordaan te trekken, het land Kanaän binnen te trekken en in bezit te nemen. Het geslacht der Israëlieten dat Egypte had verlaten, een onontwikkelde menigte der stammen, was toen gestorven, op Jozua en Kaleb na. Numeri 26:63-65. Jozua werd na de dood van Mozes, Deuteronomium 34:1-6, de leider van Israël. Jozua 1:1-2. Het land werd op de Kanaänieten veroverd en door het lot onder de stammen verdeeld, met uitzondering van de Levieten, die over de overige stammen werden verdeeld. Numeri 26:55,62.

Israël in Kanaän

Voor zijn dood richtte Jozua tot Israël de volgende woorden: Jozua 24:3-22. “Zo zegt de Here, de God van Israël: aan de overzijde der Rivier hebben oudtijds uw vaderen gewoond, Terach, de vader van Abraham en de vader van Nahor, en zij hebben andere goden gediend. Maar Ik nam uw vader Abraham van de overzijde der rivier, en leidde hem door het gehele land Kanaän; Ik maakte zijn nakomelingschap talrijk en schonk hem Isaäk. En aan Isaäk schonk Ik Jakob en Ezau. Aan Ezau gaf ik het gebergte Seïr, opdat hij het in bezit zou nemen, terwijl Jakob en zijn zonen naar Egypte trokken. Toen zond Ik Mozes en Aäron en sloeg Egypte, zoals Ik dat onder hen gedaan heb, en daarna leidde Ik u uit. Toen Ik uw vaderen uit Egypte geleid had en gij aan de zee kwaamt, achtervolgden de Egyptenaren uw vaderen met wagens en ruiters, naar de Schelfzee. Daarom riepen zij tot de Here, en Hij stelde duisternis tussen u en de Egyptenaren en liet de zee over hen komen, die hen over dekte. En uw eigen ogen hebben gezien, wat Ik Egypte aandeed. Daarna hebt gij lange tijd in de woestijn vertoefd. Ik bracht u in het land der Amorieten, die aan de overzijde van de Jordaan woonden, en toen zij tegen u streden, gaf Ik hen in uw macht; gij naamt hun land in bezit, terwijl Ik hen voor u heen verdelgde. Toen maakte Balak, de zoon van Zippor, de koning van Moab, zich op en streed tegen Israël. Hij ontbood Bileam, de zoon van Beor, om u te vervloeken. Maar Ik wilde naar Bileam niet horen, zodat hij u integendeel gezegend heeft. Zo redde Ik u uit zijn macht. Nadat gij de Jordaan overgestoken en bij Jericho gekomen waart, streden tegen u de burgers van Jericho, de Amorieten, de Ferizzieten, de Kanaänieten, de Hethieten, de Girgasieten, de Hevieten en de Jebusieten, maar Ik gaf hen in uw macht. Toen zond Ik hoornaars voor u heen, en deze dreven hen voor u uit, zoals de twee koningen der Amorieten: waarlijk niet door uw zwaard, noch door uw boog. Zo gaf ik u een land waarvoor gij niet gezwoegd hebt, en steden die gij niet gebouwd hebt, en waarin gij toch woont; en gij eet van wijngaarden en olijfbomen die gij niet geplant hebt, Welnu, vreest dan de Here en dient Hem oprecht en getrouw; doet weg de goden die uw vaderen gediend hebben aan de overzijde der Rivier en in Egypte, en dient de Here. Maar indien het kwaad is in uw ogen, de Here te dienen, kiest dan heden, wie gij dienen zult: óf de goden die uw vaderen aan de overzijde der Rivier gediend hebben, óf de goden der Amorieten in wier land gij woont. Maar ik en mijn huis, wij zullen de Here dienen! Toen antwoordde het volk en zeide: Het zij verre van ons, de Here te verlaten en andere goden te dienen. Want de Here is onze God. Hij is het, die ons en onze vaderen uit het land Egypte heeft gevoerd, uit het diensthuis, en die voor onze eigen ogen deze grote tekenen gedaan heeft en ons behoed heeft op heel de weg die wij gingen, en onder alle volken door wier midden wij trokken. De Here dreef alle volken en de Amorieten, de bewoners van dit land, voor ons uit. Ook wij zullen de Here dienen, want Hij is onze God. Doch Jozua zeide tot het volk: Gij zult u niet staat zijn de Here te dienen, want Hij is een heilig God. Hij is een naijverig God. Hij zal uw overtredingen en uw zonden niet vergeten. Wanneer gij de Here verlaat en vreemde goden dient, dan zal Hij Zich omwenden, u kwaad doen en verdelgen, nadat Hij u heeft welgedaan. Het volk zeide echter tot Jozua: Neen, maar de Here zullen wij dienen. Daarop zeide Jozua tot het volk: Gij zijt getuigen tegen uzelf, dat gij u de Here verkoren hebt, om Hem te dienen. Toen zeiden zij: Wij zijn getuigen!”

Dat de toekomst van Israël geheel zou afhangen van het al dan niet nakomen der wetten welke het volk bij de Sinaï had gekregen, blijkt ten duidelijkst uit het achtentwintigste hoofdstuk van Deut. Daarin staat zowel de zegeningen genoemd bij opvolgen der wetten, als straffen bij het niet nakomen daarvan. In dit opzicht verschilt het zogenaamde Sinaitisch verbond geheel van dat met Abraham, Isaäk en Jakob, het eerste was voorwaardelijk, afhankelijke het gedrag van Israël, het tweede was onvoorwaardelijk.

Na de dood van Jozua kwam Israël onder het bestuur van Richteren. Dertien richteren volgden elkaar op tot Samuel. En de natie was voorspoedig onder het Theocratisch systeem waarin God Koning was, naar mate de wetten werden gevolgd. Het was Israëls gedeeltelijke verwerping der volmaakte theocratie welke uiteindelijk leidde tot de zonde, welke de ondergang ten gevolge zou hebben.

Tijdens het Richterenschap van Samuel begon de verwording toen het volk een aardse monarchie wenste zoals de volken rondom. Israël wilde komen onder het monarchale systeem der heidenen (de niet-Israël volken).

Het achtste hoofdstuk van het eerste boek Samuel beschrijft het resultaat van deze wens van het volk: 1 Samuel 8:22:“De Here zeide tot Samuel: Luister naar hen en stel een Koning over hen aan. Toen zeide Samuel tot de mannen van Israël: Gaat heen, een ieder naar zijn stad”.

David wordt koning van Israël

Nadat aanvankelijk Saul uit de stam van Benjamin tot koning was uitgeroepen werd door God zelf een man uit de stam Juda aangewezen, namelijk David 1 Samuel 16:1-13 en 2 Samuel 5:1-6. Reeds in Genesis 10 was de stam van Juda aangewezen als de scepterstam waarin het Koningshuis over Israël zou voortkomen.

De aanwijzing door God van het Huis van David voor het aardse koningschap over Israël verdient de grootste aandacht. God heeft namelijk met een eed aan David gezworen, dat zijn nakomelingen op de troon zouden zitten zolang zon en maan zouden schijnen. Het belangrijkste is dat ook thans dit verbond onvoorwaardelijk was. Er wordt wel beweerd, dat hier wel een voorwaarde gesteld werd waarbij men zich beroept op bijvoorbeeld.

1 Koningen 2:4:“Opdat de Here het woord gestand mogen doen, dat Hij aangaande mij gesproken heeft: Indien uw zonen op hun weg acht geven en in trouw, met hun gehele hart en met hun gehele ziel, voor mijn aangezicht wandelen, dan zal het u niet ontbreken aan een man op de troon van Israël”.

De tekst van Psalm 89:4-5 laat echter geen enkele twijfel:“Met mijn uitverkorene heb Ik een verbond gesloten, aan mijn knecht David heb Ik gezworen: Voor altoos zal Ik uw nakroost bevestigen, en uw troon bouwen van geslacht tot geslacht”.

Psalm 89:32-38:“Indien zij mijn inzettingen ontwijden, en mijn geboden niet onderhouden, dan zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen; maar mijn goedertierenheid zal Ik hem niet onthouden mijn trouw zal Ik niet verloochenen, mijn verbond zal Ik niet ontwijden, noch veranderen wat over mijn lippen gekomen is. Eenmaal heb Ik bij mijn heiligheid gezworen: Hoe zou IK tegenover David liegen! Zijn nakroost zal voor altoos bestaan, zijn troon zal als de zon vóór Mij zijn; als de maan zal hij voor altoos vaststaan, en de getuige aan de hemel is getrouw”.

Men leze in dit verband ook Jeremia 33:20-26. En vers 2 van Psalm 89: “Zo zegt de Here: Indien gij mijn verbond aangaande de dag en de nacht kunt verbreken, zodat er geen dag en nacht meer zou zijn op hun tijd, dan zal ook mijn verbond met mijn knecht David verbroken worden, dat hij geen zoon meer hebben zal, die koning is op zijn troon, en met de Levieten, de priesters, mijn dienaren. Zoals het heer des hemels niet gesteld en het zand der zee niet gemeten kan worden, zó talrijk zal Ik maken het nageslacht van mijn knecht David en de Levieten, die Mij dienen. Het woord des Heren kwam tot Jeremia: Heb gij niet gemerkt, wat dit volk spreekt: De twee geslachten, die de Here verkoren heeft, heeft Hij verworpen? En mijn volk verachten zij, alsof het in hun ogen geen volk meer is. Zo zegt de Here: Indien Ik mijn verbond aangaande de dag en de nacht, de verordeningen van hemel en aarde, niet heb vastgesteld, dan zal Ik ook het nakroost van Jakob en mijn knecht David verwerpen, dat IK uit zijn nazaten geen heersers neem over het nageslacht van Abraham, Isaäk en Jakob, want Ik zal een keer brengen in hun lot en Mij over hen ontfermen “.

De Bijbel zegt hier van in I Kronieken 29:23: “En Salomo zette zich op de troon des Heren als koning in de plaats van zijn vader David, en hij was voorspoedig, zodat geheel Israël hem gehoorzaamde”.

Zijn regering was luisterrijk zoals onder meer blijkt uit 1 Kronieken 29:2428. Hij was ook de bouwer van de Tempel te Jeruzalem. Het einde zijner regering luidde echter de ondergang van Israël in.

De geschiedenis van het Rijk Israëls der 12 stammen nam een wending toen Salomo in de laatste jaren zijner regering zich ging wenden tot de afgoden van de volken waaruit de koning zich vrouwen had genomen, hiermede overtrad hij het gebod: Gij zult geen anderen goden voor Mijn aangezicht hebben. Deuteronomium 5:7. Integendeel hij had tegen deze afgoden moeten optreden. In het 12e hoofdstuk van Deuteronomium lezen we iets daarvan. 12:2-4. “Gij zult alle plaatsen volkomen vernietigen, waar de volken, wier gebied gij in bezit neemt, hun goden gediend hebben, op hoge bergen en op heuvels en onder elke groene boom. Gij zult hun altaren afbreken, hun gewijde stenen verbrijzelen, hun gewijde palen met vuur verbranden, de gesneden beelden van hun goden omhouwen en hun naam van die plaats doen verdwijnen. Niet alzo zult gij de Here uw God, dienen“.

Dan wordt de straf door God uitgesproken zoals we kunnen lezen in het eerste boek Koningen hoofdstuk 11:11-13:“Toen zeide de Here tot Salomo: Omdat het zo met u gesteld is, dat gij mijn verbond en mijn inzettingen, die Ik u geboden had, niet in acht genomen hebt, zal Ik voorzeker het koninkrijk van u afscheuren en het uw knecht geven. Maar bij uw leven zal Ik dat niet doen, ter wille van uw vader David; uit de hand van uw zoon zal Ik het afscheuren. Evenwel zal Ik niet het gehele koninkrijk afscheuren, één stam zal Ik aan uw zoon geven ter wille van mijn knecht David en terwille van Jeruzalem, dat Ik verkoren heb”,

Voor het gehele probleem van Israël is deze kwestie van zeer groot belang en dient men zich goed rekenschap te geven van hetgeen hier geschiedt. God zegt, dat hij het koninkrijk van de zoon van Salomo zal ontnemen. Deze zoon en opvolger was Rehabeam. Wat moet hier verstaan worden onder het “Koninkrijk”? Wenden we ons hier voor tot Psalm 114:“Toen Israël uit Egypte toog Jakobs huis uit het volk der barbaren, werd Juda zijn heiligdom Israël zijn rijksgbied“.

Hier werd het volk der twaalf stammen (het huis Israël) ook genoemd het huis Jakob, als het ware gescheiden in twee groepen, de stam Juda en de overige elf. Deze elf vormde zijn rijks gebied. De staten vertaling spreekt van “volkomene heerschappij”. Een Franse vertaling van Juda Fut Consacré A Dieu et Israël devint son empire, Ferrai-Fenton vertaalt: Israël held His power. Een Duitse vertaling spreekt van Israël seine herr schaft. Al deze uitdrukkingen houden in dat de elf stammen “het Koninkrijk” vormde in engeren zin, uit Juda zou echter later de Messias voortkomen.

De stam Juda was tevens voorbestemd om het aardse Koningshuis te leveren, zoals reeds was aangezegd door de stervende Jakob: “De scepter zal van Juda niet wijken, noch de (heerschappij) Heerschersstaf van tussen zijne voeten, totdat Hij verschijnt wien het toekomt” (Genesis 49:10).

Keren we nu terug tot Gods vonnis over Salomo. Het Koninkrijk zal aan Rehabeam worden ontnomen en deze koning zou dus slechts de stam Juda overhouden. Maar in het vonnis staat nog iets anders, namelijk dat Rehabeam niet het gehele koninkrijk verliezen zal, doch God zal hem daarvan nog een stam geven, welke dat geweest is blijkt al direct uit 1.Koningen 12:20. Zodra geheel Israël gehoord had dat Jerobeam teruggekeerd was, hadden zij hem ontboden naar de volksvergadering en hem koning gemaakt over geheel Israël. Niemand volgde het huis van David dan de stam Juda alleen.

Rehabeam roept de stammen Juda en Benjamin ten strijde op tegen het Koninkrijk. Reeds direct na de troonsbestijging van Rehabeam had een opstand plaats tegen zijn gezag onder leiding van Jerobeam. Alzo vielen de Israëlieten van de huize Davids af tot op deze dag …

Dat het hier om “het Koninkrijk” ging blijkt uit 1 Koningen 12:21: Toen Rehabeam te Jeruzalem was gekomen, riep hij het gehele huis van Juda en de stam Benjamin bijeen honderd tachtigduizend strijdbare jonge mannen, om te strijden tegen het huis van Israël en het koningschap terug te brengen aan Rehabeam, de zoon van Salomo “.

Rehabeam vergaderde Juda en Benjamin om tegen het Huis van Israëls te strijden, opdat hij “Het Koninkrijk” weder aan … Rehabeam den zoon Salomo’s bracht. Met het gehele huis Israëls kan hier natuurlijk nooit bedoeld zijn het gehele Israël der twaalf stammen. In dat geval toch zou Rehabeam ook tegen zichzelf gestreden hebben.

God laat het echter niet tot strijd komen: “Gij zult niet optrekken om tegen uwe broeders, de kinderen Israëls, te strijden want deze zaak is door Mij beschikt“. God zelf splitst hier de rijken “Juda” en “Israël”, zij vormen van dat ogenblik af twee verschillende Rijken, elk met een eigen koning, een eigen gebied en eigen hoofdstad. De afgevallen 1 0 stammen, het “Huis van Israël” vormen het Rijk Israël, ook wel genoemd “Efraïm” naar de leiderstam van het “Huis van Israël” met de hoofdstad Samaria. De overige twee stammen, “Juda en Benjamin”, vormen samen het rijk Juda onder het Koningshuis van David.

Over het Rijk Israëls hebben eveneens koningen geheerst, doch geen hunner was uit de stam van Juda en dus niet uit Davids huis.

De ondergang van het rijk Israël

De zonde waarvoor Salomo gestraft werd, het dienen van afgoden. Ook de koningen, die elkaar in het Rijk Israël opvolgden, gingen dezelfde weg op. Het begon al direct met Jerobeam, die twee gouden kalven deed oprichten en tot zijn volk zeide: “Zie uwe goden, O Israël die u uit Egypte opgebracht hebben” 1 Koningen 12:28.

Wanneer we het eerste boek koningen en ook het tweede doorlezen, dan blijkt, dat al de opvolgende koningen de wetten schonden; men zie bijvoorbeeld de verzen uit 2 Koningen 15:23-24:“In het vijftigste jaar van Azaria, de koning van Juda, werd Pekahja, de zoon van Menahem, koning over Israël te Samaria, en regeerde twee jaar. HU deed wat kwaad is in de ogen des Heren, hij week niet af van de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven “.

En ook de verzen uit I Koningen 15:33-34. I Koningen 16:23-26. I Koningen 16:29-30 en I Koningen 22:52-53.

Maar hieruit blijkt tevens dat ondanks hun zonden, toch de opvolging van vader op zoon voortging. Ware de zienswijze juist van hen, die zeggen dat het voortbestaan van de troonopvolging in het huis van David afhankelijk was van het houden der wetten, dan zou geen der koningen hebben kunnen opvolgen, daar zij allen deden “wat kwaad was in de ogen des Heren”. Wat de gevolgen van deze wetsovertredingen zouden zijn was reeds aangekondigd toen Israël de wetten ontving.

Men leze Deuteronomium 28:15:“Maar indien gij niet luistert naar de stem van de Here, uw God, en niet al zijn geboden en inzettingen, die ik u heden opleg, naarstig onderhoudt, dan zullen de volgende vervloekingen alle over u komen en u treffen. Indien gij der stemme des Heren uws God niet zult gehoorzamen. De Here zal u en de koning, die gij over u hebt aangesteld, naar een volk voeren dat gij niet kendet, gij noch uw vaderen; aldaar zult gij andere goden dienen, hout en steen”. vers 36.

Andere profetieën spreken in meerdere details. Lees mee in I Koningen 14:15-16:“Dan zal de Here Israël slaan, zodat het wiegelt als riet in het water en Hij zal Israël wegrukken van deze goede grond die Hij hun vaderen gegeven heeft, en Hij zal hen aan de overzijde van de Rivier (de Eufraat) verstrooien, omdat zij hun gewijde palen gemaakt, en daardoor de Here gekrenkt hebben. Ja, Hij zal Israël prijsgeven wegens de zonden die Jerobeam bedreven heeft, en die hij Israël heeft doen bedrijven”.

De Here zegt in Micha 1: 6:“Daarom zal Ik Samaria maken tot een puinhoop op het veld, tot een oord om wijngaarden te planten; Ik zal stenen in het dal nederstorten en zijn .fundamenten blootleggen”.

Goddelijke profetie is niets anders dan vooruitgeschreven historie.

In het tweede boek Koningen lezen we het antwoord en de vervulling.

2 Koningen 17:6:“In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assur Samaria in; hij voerde Israël in ballingschap naar Assur en deed hen wonen in de Haluk, de rivier van Gozan en in de steden der Meden “.

2 Koningen 17:24:“De koning van Assur bracht mensen uit Babel, Kutha, A wa, Hamath en Sefarvaim en deed hen wonen in de steden van Samaria in plaats van de Israëlieten. Zij namen Samaria in bezit en vestigden zich in de steden daarvan .”

Dit naar Samaria overgebrachte volk vormde het grootste deel van de latere Samaritanen van het Nieuwe Testament. De wegvoering van de 10 stammen was niet de enige straf welke hen trof. Het allerergste was, dat zij daarmee ophielden, deel uit te maken van “Mijn Volk”. Men leze Hosea 1:9:“Toen zijde Hij: noem hem Lo-Ammi, want gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn “.

Dat hier sprake is van het huis Israëls blijkt ondermeer uit de slotwoorden van de verzen 4 en 6 van dit hoofdstuk We lezen eerst vers 4 en dan vers 6. “De Here zeide tot hem: Noem hem Jizreël, want het zal niet lang meer duren of Ik zal de bloedschuld van Jizreël bezoeken aan Jehu’s huis en een eind maken aan het koninkrijk van het huis Israëls “. ..“Zij werd wederom zwanger en baarde een dochter; Hij zeide tot hem: Noem haar Lo-Ruchama, want Ik zal Mij voortaan niet meer over het huis Israëls ontfermen, dat Ik hun iets vergeven zou”.

Het officiële “Israël” is derhalve na de wegvoering der 10 stammen nog steeds slechts te vinden in het Rijk Juda, onze Bijbel noemt alle volkeren buiten Godsvolk Israël, “heidenen “, waar de 1 0 stammen ophouden Godsvolk te zijn, worden zij derhalve “gelijkgesteld” met de heidenen. Qua afkomst blijven zij uit den aard der zaak Israëlieten! Maar zij mogen de naam van Israël niet meer dragen. Hun verdere historie door de eeuwen heen zal zich afspelen onder andere namen, een geschiedenis, welke in de vorm van profetie in de Bijbel is neergeschreven.

De ondergang van het rijk Juda

Het Rijk Juda zette zijn historie in Palestina nog ongeveer 125 jaren voort na de ondergang van “Israël”. Doch ook in Juda voltrok zich het proces zoals dat zich had afgespeeld in Israël. Nemen we het tweede boek Kronieken op een enkele uitzondering na, dan staat daar van Juda hetzelfde vermeld als dat van Israël. (Zie ondermeer de volgende teksten). 2 Kronieken 12:14.”Hij deed wat kwaad is, want hij had er zijn hart niet op gezet de Here te zoeken”.

2 Kronieken 21:6:“Hij wandelde in de weg der koningen van Israël, zoals het huis van Achab gedaan had, want hij had een dochter van Achab tot vrouwen deed wat kwaad is in de ogen des Heren”.

2 Kronieken 22:1-4:“Toen maakten de inwoners van Jeruzalem Ahazia, zijn jongste zoon, koning in zijn plaats, want een roversbende die met de Arabieren in de legerplaats gekomen was, had al de ouderen gedood. Zo werd Ahazia, de zoon van Joram, de koning van Juda. Koning Ahazia was tweeënveertig jaar oud, toen hij koning werd en hij regeerde één jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Athalia; zij was de kleindochter van Omri. Ook hij wandelde in de wegen van het huis Achab, want zijn moeder verleidde hem door haar raadgevingen tot goddeloze daden. Hij deed wat kwaad is in de ogen des Heren, evenals de leden van het huis Achab, want zij waren zijn raadgevers, na de dood van zijn vader, tot eigen verderf’.

Vrijwel alle koningen deden wat kwaad was in de ogen des Heren. Hier moge nog even worden gewezen op vers 7 van 2 Kronieken 21. In het voorafgaande vers staat vermeld, dat hij ook zondigde, maar dan volgt direct daarop, dat God desondanks het Huis Davids niet verderven wilde om des verbonds wil, van Joram dat Hij met David gemaakt had. Het onafwendbare gevolg is ook nu de ondergang beschreven in 2 Koningen 23:27:“En de Here zeide: Ik zal Juda ook van Mijn aangezicht weg doen, gelijk Ik Israël weggedaan heb, en Ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen”.

Ook hier zijn andere teksten welke dit drama uitvoeriger weergeven. Men leze bijvoorbeeld: de verzen van Ezechiël 16:1:“Het woord des Heren kwam tot mij: Mensenkind, doe Jeruzalem haar gruwelen kennen en zeg: zo spreekt de Here tot Jeruzalem”.

Ezechiël 16:31-33:“Dat gij uw verhoging gebouwd hebt op elke kruispunt en uw verhevenheid gemaakt op elk plein. Toch hebt gij u zelfs niet als een hoer gedragen, omdat gij het loon van een hoer versmaaddet. Zo’n overspelige vrouw, die vreemden aanhaalt, terwijl zij gehuwd is.! Aan alle hoeren geeft men geschenken, maar gij gaaft zelf geschenken aan al uw minnaars en loktet hen daarmee om van alle kanten naar u toe te komen en ontucht met u te plegen”.

Mensenkind maak Jeruzalem hare gruwelen bekend

Ezechiël 16:45-53“Gij zijt de dochter van uw moeder, die een afkeer had van haar man en haar zonen, gij zijt de zuster uwer zusters, die afkeer hadden van haar mannen en zonen. Uw moeder was een Hethitische en uw vader een Amoriet. Uw grote zuster was Samaria, (10 stammen) die met haar dochters ten noorden van u woonde; en uw kleine zuster die ten zuiden van u woonde, was Sodom met haar dochters. Maar gij hebt zelf niet gewandeld in haar wegen en naar haar gruwelen gedaan; het duurde niet lang, of gij waart erger dan zij in heel uw gedrag. Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Here Here, voorzeker, uw zuster Sodom, samen met haar dochters, heeft niet gedaan wat gij gedaan hebt, samen met uw dochters. Zie, dit was de ongerechtigheid van uw zuster Sodom: in trots, overdaad en zorgeloze rust leefde zij met haar dochters zonder de ellendige en de arme te ondersteunen. Verwaten waren zij en bedreven gruwelen voor mijn aangezicht. Daarom vaagde Ik ze weg, zodra Ik het zag. En Samaria heeft nog niet de helft van uw zonden bedreven; gij hebt meer gruwelen gedaan dan zij. Zo hebt gij uw zusters onschuldig doen schijnen door al de gruwelen die gij bedreven hebt. Draag dan uw schande, gij die het oordeel over uw zusters gunstiger hebt doen worden; door uw zonden, waarin gij gruwelijker hebt gehandeld dan zij, zijn zij minder schuldig dan gij. Schaam u dan en draagt uw schande, omdat gij uw zusters onschuldig hebt doen schijnen. En Ik zal een keer brengen in haar lot, het lot van Sodom en haar dochters en het lot van Samaria en haar dochters: en tevens zal Ik een keer brengen in uw lot”.

Dan volgt ook hier de vervulling op de profetie

2 Koningen 25:1-13:“In het negende jaar van zijn regering, in de tiende maand, op de tiende van de maand, rukte Nebukadnezar, de koning van Babel, zelf met zijn gehele leger tegen Jeruzalem op en sloeg het beleg erom, en zij bouwden er een belegeringswal omheen. Zo werd de stad belegerd tot het elfde jaar van koning Sedekia. Op de negende van de vierde maand, toen de hongersnood in de stad zwaar geworden was en er geen brood meer was voor het volk des lands, werd een bres in de stadsmuur geslagen; en al de krijgslieden vluchtten des nachts door de poort tussen de beide muren bij de koninklijke tuin de Chaldeeën nu lagen rondom tegen de stad en sloegen de weg in naar de Vlakte. Maar het leger der Chaldeeën zette de koning na en achterhaalde hem in de vlakte van Jericho; zijn gehele leger werd van hem gescheiden en verstrooid. Zij grepen de koning, brachten hem naar de koning van Babel te Rib la, en men velde vonnis over hem: de zonen van Sedekia bracht men voor diens ogen ter dood; en hij liet de ogen van Sedekia verblinden en hem met twee koperen ketenen binden; en men bracht hem naar Babel. Daarna, in de vijfde maand, op de zevende van de maand – dat was het negentiende jaar van koning Nebukadnesser, de koning van Babel kwam Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, de dienaar van de koning van Babel, te Jeruzalem, en verbrandde het huis des Heren en het koninklijk paleis; alle huizen in Jeruzalem, althans alle huizen der aanzienlijken, verbrandde hij met vuur. En het leger der Chaldeeën, dat met de bevelhebber van de lijfwacht was, haalde gezamenlijk de muren rondom Jeruzalem neer. De rest van het volk, die in de stad nog was overgebleven, en de overlopers die naar de koning van Babel overgelopen waren de rest van de menigte voerde Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, in ballingschap. Slechts enige van de armen van het land liet de bevelhebber van de lijfwacht achterblijven als wijngaardeniers en als landbouwers. Voorts braken de Chaldeeën de koperen zuilen die in het huis des Heren waren, aan stukken, alsmede de onderstellen en de koperen zee die in het huis des Heren waren; en zij voerden het koper daarvan naar Babel. (vers 21) De koning van Babel bracht hen ter dood te Ribla in het land van Hamat. Zo werd Juda uit zijn land in ballingschap weggevoerd”.

Aldus kwam ook een einde van het tweede en laatste rijk. Het merkwaardige is, dat, waar, zoals we zagen Juda veel zwaarder had gezondigd dan Israël, Juda toch niet als Israël geworden is tot “Lo-Ammi”, niet tot “heidenMaar God alleen wist, dat het uur eenmaal zou aanbreken waarop de 10 stammen opnieuw zouden worden MIJN VOLK, zie Hosea 1:10.“Eens echter zullen de kinderen lsraëls talrijk wezen als het zand der zee, dat niet te meten of te tellen is. En ter plaatse waar tot hen gezegd wordt: Gij zijt mijn volk niet – zullen zij genoemd worden kinderen van de levende God”.

En Juda onherstelbaar zou worden verbroken.

Men zal zich afvragen wat er nu eigenlijk terechtgekomen is van de beloften aan en verbonden met de vaderen van MIJN VOLK, met dit volk zelf en David en diens huis. En men zou zich kunnen afvragen of het volk Israël Gods plan daarmede niet heeft tenietgedaan. Over dit laatste nu behoeven we ons geen ogenblik ongerust te maken. Indien de mens hiertoe in staat zou zijn, dan houdt God op God te zijn. Het grote plan met Israël wordt slechts tijdelijk onderbroken door een strafperiode, maar het zal doorgang vinden tot zijn uiteindelijke vervulling. Welke nu zijn de verdere lotgevallen van de beide ondergegane Rijken en van het Koningshuis? Zijn zij voorgoed verdwenen, ondergegaan in de volken? Zijn zij blijven voortbestaan? Zie hier de vragen tot welke beantwoording wij ons thans wenden, wij gaan hierbij uit van de grondstelling, dat de Bijbel in zijn oorspronkelijke talen, het Hebreeuws Oude Testament en Grieks Nieuw Testament, absoluut waar is en Gods woord absoluut waar. Niet alleen in zijn geestelijk gedeelte, doch ook waar het gaat om de historische feiten of profetische uitspraken. Er wordt zo vaak de bewering gehoord dat de profeten maar gewone mensen waren, die spraken naar hun eigen verstand of onverstand en naar hun eigen wensen en inzichten. Maar de Bijbel zelf leert ons anders.

Lees maar mee in 2 Petrus 1:19-21:“En wij achten het profetische woord daarom des te vaster, en gij doet wel, er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten. Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken”.

En daar Bijbelprofetie vooruit geschreven historie is en omgekeerd, daar zullen we ook betreffende de verdere historie der Rijken Israël en Juda in de profetieën aanwijzingen moeten zoeken.

De terugkeer van Babylon

Slaan we op Jeremia 25:11 en 29:10:“Deze volken nu zullen de koning van Babel dienstbaar zijn zeventig jaren”. “Want zo zegt de Here: Neen, als voor Babel zeventig jaren voorbij zullen zijn, dan zal Ik naar u omzien en mijn heilrijk woord aan u in vervulling doen gaan door u naar deze plaats terug te brengen “.

Hier hebben we de aankondiging van de profeet, dat de ballingschap uit Babel, dat zijn de ballingen van het Rijk Juda naar hun land zouden terugkeren na een door God vastgestelde tijd. Heeft de historie zulks bewezen? In 530 voor Christus werd het rijk Babylon veroverd door Cyrirs. Koning van Perzië, in onze Bijbel genoemd Kores, en deze vorst geeft verlof aan de ballingen om naar Palestina terug te keren.

Ezra 1:1-4:“In het eerste jaar van Kores, de koning van Perzië, wekte de Here, opdat het woord des Heren, door Jeremia verkondigd, zou worden voltrokken, de geest van Kores, de koning van Perzië, op, om door zijn gehele koninkrijk, ook in geschriften, deze oproep te doen uitgaan: Zo zegt Kores, de koning van Perzië: alle koninkrijken der aarde heeft de Here; de God des hemels, mij gegeven en Hij heeft mij opgedragen Hem een huis te bouwen in Jeruzalem, in Juda. Wie nu onder u tot enig deel van zijn volk behoort zijn God zij met hem, hij trekke op naar Jeruzalem, in Juda, en bouwde het huis van de Here, de God van Israël, dat is de God, die in Jeruzalem woont. En ieder die overgebleven is, van welke plaats ook, waar hij als vreemdeling vertoeft, die moeten zijn plaatsgenoten ondersteunen met zilver en goud, met have en vee, behalve de vrijwillige gave voor het huis van God, die in Jeruzalem woont”.

De vraag, wie van dit verlof tot terugkeren gebruik maakten, is tot een onderwerp van strijd geworden … Wij zullen de Schrift zelf laten spreken .. Ezra 1:5:“Toen maakten de familiehoofden van Juda en Benjamin, ook de priesters en de Levieten, zich gereed, allen wier geest God had gewekt om op te trekken teneinde het huis van de Here, die in Jeruzalem woont, te bouwen”.

Het lijkt ons moeilijk om in zo weinig woorden nog nadrukkelijker te zeggen, wie er terugkeerden. Toch zijn er die beweren, dat bij die gelegenheid ook de 10 stammen mede zijn teruggekeerd.

In herinnering brengen we, dat de 10 stammen niet zijn weggevoerd door Nebukadnezar – die werd eerst een eeuw later geboren – en ook werden de 10 stammen niet gevoerd naar Babel doch naar Assyrië.

De bovenstaande tekst van Ezra 1:5 – 7, en de tekst Ezra 2:1, 64-65, is niet de enigste, die hieromtrent uitsluitsel geeft. In het vierde hoofdstuk wordt medegedeeld, dat de tegenstanders van Juda en Benjamin mede de tempel willen bouwen, hetgeen geweigerd wordt. Deze tegenstanders schrijven daarop aan de koning van Perzië in welk geschrift zij de koning waarschuwen voor het herstel van de steeds oproerige en boze stad Jeruzalem. De koning geeft dan bevel aan die tegenstanders om de bouw te beletten. Ezra 4:21. Wie waren die tegenstanders? Waren het de 10 stammen, die volgens sommigen ook waren teruggekeerd? Het antwoord geeft Ezra 4:9-10. “Rechem, de landvoogd, en Simsai, de schrijver, en hun overige ambtgenoten, rechters en ambtenaren van het gebied over de Rivier, de burgers van Afarsa, Erek, Babel en Susan, welke Elamieten zijn, en de overige volken, die de grote en doorluchtige Asnappar weggevoerd en in de stad Samaria en in het verdere gebied over de Rivier heeft doen wonen “.

Die tegenstanders waren de mannen die “de grote Asnappar”, Essar-Haddon koning van Assyrië heeft vervoerd en doen wonen in de stad van Samaria. Het waren derhalve de mensen, die de koning van Assyrië naar Samaria had gezonden om het land te bevolken toen de 10 stammen daaruit waren weggevoerd. En dus zeer zeker niet de overige stammen van Israël. In Ezra 8:1 wordt eens vermeld, dat de naar Babel weggevoerden waren, die met Ezra wederkeerden. In het negende hoofdstuk wordt gesproken over de vrouwen van vreemde volken die met de teruggekeerden waren medegekomen. Besloten wordt om deze heidense vrouwen weg te zenden, en een bevel ging uit, dat alle de kinderen der gevangenschap zich te Jeruzalem zouden vergaderen, onder bedreiging met zeer zware straffen wanneer zij aan dit bevel geen gevolg zouden geven.

Ezra 10:7-8:“Daarop deed men een oproep uitgaan door Juda en Jeruzalem tot al degenen die in de ballingschap geweest waren, om zich te Jeruzalem te verzamelen. Als iemand niet binnen drie dagen kwam, zou volgens besluit van de oversten en de oudsten al zijn have met de ban worden geslagen, en zou hij uit de gemeente der ballingen worden afgesneden. En alle mannen van Juda en Benjamin verzamelden zich binnen drie dagen te Jeruzalem, en wel in de negende maand, op de twintigste der maand. Het gehele volk zat neer op het plein van het huis Gods, rillend zowel om de zaak als door de regenbuien “.

Ook in het boek Nehemia lezen we alleen maar van Juda en Benjamin en de priesters en Levieten, dat lezen we in Nehemia 7:6:“Zowel Juda als Benjamin waren verdeeld over Jeruzalem en het land daarbuiten “,

Zo ook beschreven in Nehemia 11:4, 25, 31. De stammen Juda en Benjamin zijn ook niet in hun geheel teruggekeerd. Het getal van 50.000, voor deze stammen, tezamen met de priesters, de Levieten enz., wijst reeds in deze richting.

In zijn werk, Joodse oudheden schrijft Flavius-Josephus: “Toen Cyres dit tot de Israëlieten gezegd had haasten zich de hoofden van Juda en Benjamin, met de Levieten en de Priesters naar Jeruzalem, doch velen hunner bleven te Babylon daar zij hun bezittingen niet wilden opgeven.”

De Joodse natie

Na de terugkeer te hebben beschreven zegt Flavius-Josephus: “Zonder verwijl togen nu de Joden aan het werk, zo werd namelijk ons volk genoemd sinds het uit Babylon was wedergekeerd”.

Zoals dit hier staat in de Nederlandse vertaling van Josephus is niet waar. Josephus heeft nimmer van zijn leven het woord Joden gebruikt en ook nimmer gehoord. Dat woord bestond niet in zijn dagen . .Josephus schreef in het Grieks en heeft hier de naam “Joudais” gebezigd, hetgeen “Judeër” betekent, een inwoner van het land Judea, ofwel “Judahiet”, een afstammeling van Juda, de zoon van Jakob. De 10 stammen stamden vanzelfsprekend niet af van Juda en waren dus geen van allen Judahieten. In de dagen waarin zij naar Assyrië verbannen werden was er nog geen sprake van een land Judea, in het oude testament is wel sprake van het land Juda, maar daar woonden de 10 stammen niet, dezen waren dus ook geen (Joden) Judeërs.

Josephus zegt dus niets anders dan dat de teruggekeerden uit Babylon voortaan werden genoemd “Judeërs”, dan wel Judahieten, in welk laatste geval de naam van de hoofdstam, Juda, als verzamelnaam en op de Levieten en Priesters.

Deze teruggekeerden hebben tot het jaar 70 onzer jaartelling in het land gewoond onder vreemde heersers. Een eigen koning, noch uit Juda noch uit andere stammen hebben zij meer gehad. Onder hen werd 4 jaren voor het begin onzer jaartelling Jezus geboren uit de stam Juda. Hij was Judeeër en Hij was Judahiet, doch geen Jood. De beide eerstgenoemde begrippen en het laatst genoemde dekken elkander niet.

De 10 stammen, reeds meer dan zeven eeuwen vroeger uit hun land verwijderd, waren niet in Palestina ten tijde van de Here Jezus. Josephus die in die dagen leefde, schrijft hieromtrent … “vandaar dat slechts twee stammen in Azië en Europa onder de Romeinse heerschappij leven: terwijl de tien overige stammen, ene ontelbare menigte, tot op deze dag over den Eufraat wonen” .einde citaat.

In het jaar 70 Na Christus, veertig jaren na de kruisiging, veroverde Rome het land Judea en maakte Jeruzalem met de grond gelijk. De bewoners werden over de aardbodem verspreid en hun nakomelingen leven onder de volken voort als “ware Joden”, naast anderen, die wel het “Joodse geloof hebben aangenomen” doch met de afstamming niets te maken hebben.

In antwoord op één des betreffende vraag schreef de opperrabbijn Dr. Herth:

“Het volk dat heden ten dagen bekend staat als Joden zijn nakomelingen van de stammen Juda en Benjamin met een zeker aantal afstammelingen van de stam Levi. Voorzover bekend bestaat er geen enkele verdere toevoeging van andere stammen, de tien stammen zijn opgenomen onder de volken der aarde. Wij zien met verlangen uit naar de hereniging van al de stammen in de toekomst”. Tot zover Dr. Herth.

Na het jaar 70 onzer jaartelling is dus de toestand als volgt. De twee stammen Juda en Benjamin en een zeker aantal van de stam Levi, zeker uit de Babylonische ballingschap naar Palestina teruggekeerd zijn, zijn over de aarde verstrooid geworden: Hun nakomelingen zijn de “ware Judeërs of Judahieten”. De wereld heeft hen Joden genoemd, ten onrechte. Een Judahiet of een Benjaminiet, die Christus heeft aanvaard, is een Christen-Judahiet of een Christen-Benjaminiet. Het is fout te spreken van een Christen-Jood. Dit is een Contradictie in termis, men zou evengoed kunnen spreken van een Christen-boeddhist of een Christen-mohammedaan. Andere godsdiensten hier buiten beschouwing gelaten, is men Christen of men is Jood.

Het begrip “Jood” zoals wij dat kennen, houdt verwerping van Christus in. Zo waren de meeste apostelen wel Benjaminieten, maar geen Joden. Maar in Handelingen 21:39 zegt Paulus toch uitdrukkelijk, dat hij een Jood is? Zonder twijfel. Maar in de grondtekst zegt hij even nadrukkelijk dat hij een “Joudaios” is, een Judeeër. Nergens staat er in de Bijbel dat God ooit een “Joods volk” gevormd heeft, wel een volk Israël. In volkenkundigen zin bestaat er geen Joods volk, en heeft ook nooit bestaan. Wat men het “Joodse volk” heeft genoemd, is dat deel van het teruggekeerde deel van Juda en Benjamin, dat in nationale zin Christus niet heeft aangenomen. De verwerping van Christus in de tijd van Diens verblijf op aarde is derhalve slechts geschied door een fragment van het gehele Israël der 12 stammen. Wij hebben gezien bij hun wegvoering naar Assyrië ze ophielden deel uit te maken van Mijn Volk. Toen waren Juda en Benjamin nog de enige officiële representanten van Gods Koninkrijk. Zij zijn dat gebleven tot hun ondergang in Palestina. In het Nieuwe Testament worden enige gelijkenissen vermeld welke Jezus tot de priesters en ouderlingen in de Tempel te Jeruzalem sprak.

Mattheüs 21:33-46:“Er was een heer des huizes, die een wijngaard plantte, en er een heg omheen zette, en er een wijnpers in groef en een toren bouwde; en hij verhuurde die aan pachters en ging buitenslands. Toen nu de tijd der vruchten naderde, zond hij zijn slaven naar de pachters om zijn vruchten in ontvangst te nemen. Maar de pachters grepen zijn slaven, sloegen de ene, doodden de andere en stenigden een derde. Hij zond weder andere slaven, nog meer dan eerst, en zij behandelden hen op dezelfde wijze. Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen. En zij grepen hem en wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem. Wanneer nu de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen? Zij zeiden tot Hem: Een kwade dood zal hij die kwaden doen sterven en de wijngaard zal hij verhuren aan ander pachters, die hem de vruchten op tijd zullen afleveren. Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden; van de Here is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Daarom, Ik zeg u, dat het koninkriik Gods van u zal worden weggenomen worden en het zal het geven worden aan een volk. dat de vruchten daarvan opbrengt. En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden, en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen. En toen de over priesters en de Farizeeën zijn gelijkenissen hadden gehoord, begrepen zij, dat Hij hen bedoelde. En hoewel zij Hem trachtten te grijpen, vreesden zij de scharen, daar die Hem voor een profeten hielden.

Wat betekent dit alles? Men leze Jesaja 5:1-8:“Ik wil van mijn geliefde zingen, het lied van mijn beminde over zijn wijngaard. Mijn geliefde had een wijngaard op een vruchtbare heuvel; hij spitte hem om, zuiverde hem van stenen, beplantte hem met edele wijnstokken, bouwde daarin een toren en hieuw ook een perskuip daarin uit. En hij verwachtte, dat de wijngaard goede druiven zou voortbrengen, maar hij bracht wilde druiven voort. Nu dan, inwoners van Jeruzalem en mannen van Juda, spreek toch recht tussen Mij en mijn wijngaard. Wat was er nog aan mijn wijngaard te doen, dat Ik er niet aan gedaan heb? Waarom verwachtte Ik, dat hij goede druiven zou voortbrengen, en bracht hij wilde druiven voort? Nu dan, Ik wil u doen weten, wat ik met mijn wijngaard ga doen: zijn doornhaag wegnemen, opdat hij verwoest warde; zijn muur doorbreken, opdat hij vertrapt worde; Ik zal hem tot een wildernis maken, hij zal gesnoeid noch behakt worden, zodat er dorens en distels opschieten; en Ik zal de wolken gebieden, dat zij op hem geen regen dien vallen. Welnu, de wijngaard van de Here der heerscharen is het huis Israëls, en de mannen van Juda zijn de planten waarin Hij vreugde heeft; Hij verwachtte goedbestuur, maar zie, het was bloedbestuur; rechtsbetrachting, maar zie, het was rechtsverkrachting. Wee hun die huis aan huis voegen, akker aan akker, totdat er geen plaats meer is, en gij alleen de gezeten lieden zijt in het land”,

Israël is de wijngaard en God is de Heer van de wijngaard. En Christus is de zoon. De ontrouwe landbouwers zijn de leiders van het huis Juda. Zij zien dit zelf in Mattheüs 21:45. Israël werd eenmaal gevormd om Gods getuigen te zijn en de leer van Christus aan de volkeren te brengen. Juda heeft dit in nationale zin, niet gedaan. Heeft integendeel Christus verworpen, heeft de vruchten niet opgebracht. Daarom wordt het Koninkrijk Gods van hun ontnomen.

Aan wie heeft Hij het gegeven? Aan een ander volk, dat wel de vruchten opbrengt. Aldus de Schrift. Maar God heeft de 12 stammen daarvoor aangewezen, en hij houdt zijn woord. Dus blijft er maar één mogelijkheid over: Dat ander volk is de andere groep van Israël, de 10 stammen. Maar deze zijn niet meer Gods volk, zijn niet meer Israël, ook al blijven zij naar afkomst Israëlieten. Wij zullen later zien, op welke wijze de 10 stammen weer opnieuw tot Mijn Volk zullen gaan behoren, doch eerst eens zien, of er getuigenissen in de Bijbel te vinden zijn welke terugkeer tot God hebben aangekondigd.

Laat ons eerst daartoe Jeremia 18:1-8 opslaan. Hier wordt het huis Israël vergeleken bij verdorven leem, waarvan de pottenbakker tenslotte toch iets goeds maakte. En dan verzekert God, dat Hij wanneer het huis Israël berouw zal tonen dit weder zal maken tot een “GOED” Israël. “Het woord, dat van de Here tot Jeremia kwam: Maakt u op daal af naar het huis van de pottenbakker, en daar zal Ik u mijn woorden doen horen. Toen daalde ik af naar het huis van de pottenbakker, en zie, hij was juist bezig een werkstuk te maken op de schijf Mislukte de pot die hij bezig was te maken, zoals dat gaat met leem in de hand van de pottenbakker, dan maakte hij daarvan weer een andere pot, zoals het de pottenbakker goed dacht te maken. Toen kwam het woord des Heren tot mij: Zal Ik niet met u kunnen doen zoals deze pottenbakker, O huis Israëls? luidt het woord des Heren. Zie als leem in de hand van de pottenbakker, zo zijt gij in mijn hand, huis Israëls Het ene ogenblik doe Ik over een volk en een Koninkrijk de uitspraak, dat Ik het zal uitrukken, afbreken en verdelgen; maar bekeert zich dit volk waarover IK een uitspraak deed, van zijn boosheid, dan zal Ik berouw hebben over het kwaad dat Ik hun dacht aan te doen “.

Maar wanneer wij dan Jeremia 19: 1-11 opslaan dan lezen we daar iets geheel anders. Hier is sprake van Juda, vergeleken met een aarden kruik die vernietigd wordt, en nimmer meer kan worden heel gemaakt. In deze beide hoofdstukken staat de toekomst van beide huizen in nationale zin in enkele woorden weer te geven. Men leze voor zichzelf ook de gelijkenissen van de twee zonen, die in de wijngaard moesten werken, Mattheüs 21:28-32, en van de verloren zoon in Lucas 15:11-32. Afgescheiden van de betekenis dezer gelijkenissen in individuele zin, is niet de zoon die thuis bleef Juda, en de jongere broeder Jozef de zoon, die het vaderlijk huis verliet alles verbraste, doch berouw kreeg en zich weder tot zijn vader begaf om als dagloner te gaan werken voor de vader? Jozef staat in de Schrift ook wel als aanduiding van het HUIS ISRAËL.

Jozua 18:5. “Vervolgens zullen zij het onderling in zeven stukken verdelen. Juda zal in zijn gebied in het zuiden blijven en het huis Jozef in zijn gebied in het noorden”.

Richteren 1:22:Ook het huis van Jozef trok op en wel tegen Betel, en de Here was met hem”.

En men leze verder de teksten: 2.Samuël.19:20, I. Koningen 11:28, Ezechiël 37:16, Obadja 18 en Zacharia 10:6.

En had God niet tegen Jeremia gezegd, dat Hij over het Huis Israël berouw zou hebben indien dit zelf berouw zou tonen? En hadden niet de leiders in de gelijkenis van de twee zonen en den wijngaard Mattheüs 21:28-31 zelf tot Jezus gezegd, dat degene die berouw zou tonen, dat die de wil des Vaders had gedaan?

Van geheel andere aard maar zeer zeker niet minder duidelijk zijn ander aankondiging van het herstel van de 10 stammen. Bijvoorbeeld in Hosea nadat de profeet in 1-9 gezegd heeft, dat het Huis van Israël opgehouden heeft Gods volk te zijn, vervolgt het tiende vers:

“Nochtans zal het getal der kinderen Israëls zijn als het zand der zee, dat niet gemeten noch geteld kan worden, gij zijt Mijn volk niet, tot hen gezegd zal worden Gij zijt kinderen des levenden Gods en kinderen van Juda, en de kinderen en Israëls zullen samen vergaderd worden en Ik zal zeggen tot LO-AMMI gij zijt MIJN VOLK. Hosea 2:22.

En dan lezen we in Hosea 14:9-10:“Efraïm, wat heb ik nog met de afgoden te doen? Ik verhoor hem en zie hem aan. IK ben als een altijdgroene cypres, aan Mij is uw vrucht te danken. Wie wijs is, geve op deze dingen acht; wie verstandig is, erkennen ze. Want de wegen des Heren zijn recht: rechtvaardigen wandelen daarop, maar overtreders struikelen er H.

Even duidelijk als de voorgaande teksten spreekt ook Zacharia 10:6. van het herstel:“Zo zal Ik het huis van Juda sterken en het huis van Jozef verlossen; ja, Ik zal hen terugbrengen, omdat IK Mij over hen ontferm, en zij zullen worden alsof IK hen niet verworven had. Want Ik ben de Here. hun God. en Ik zal hen verhoren “.

De andere teksten die ik nog wil noemen zijn Ezechiël 37:1-13; 37:16-23. De talrijke profetie laat geen twijfel toe, dat het Huis Israël eenmaal weer hersteld zou worden en tot God zou terugkeren om de vruchten van de wijngaard op te brengen.

Nu blijft de vraag nog over, hoe dit geschieden kan het berouw van de verloren zoon de 10 stammen was hiertoe alleen niet voldoende. Volgens menselijke overweging was de terugkeer zelf op grond van de Bijbel zelf onmogelijk. Ter verklaring van deze bewering dienen we ons te wenden tot de profeet Ezechiël in diens 23e hoofdstuk ligt het begin van een der meest wondere feiten in de geschiedenis van de 10 stammen. Dit hoofdstuk vangt aan met de volgende vreemde woorden:“Voorts geschiedde des Heren woord tot mij, zeggende: Mensenkind daar waren twee vrouwen, dochters van een moeder”. En vers vier: Haar namen nu waren: Ohola, de grootste, en Oholiba haar zuster; en zij werden de Mijne, en baarden zonen en dochteren; dit waren haar namen: Samaria is Ohola, en Jeruzalem is Oholiba

Wat geven deze merkwaardige woorden aan? Dit, dat God tussen zichzelve en de beide huizen van Zijn volk het 10 stammen rijk, en het twee stammen rijk, de nauwste band legt die wij mensen kennen: Die van het huwelijk, het Huis Israël (Samaria) en het Huis Juda (Jeruzalem) worden de vrouwen van God.

Het gehele hoofdstuk beschrijft verder het gedrag van beide vrouwen, deze beschrijving is overgebracht in de menselijke sfeer: de vrouwen zijn hier geschilderd als publieke vrouwen. Wanneer echter ten opzichte van Israël in Nationale zin in de Schrift wordt gesproken van “hoererij” dan wordt daarmede onveranderlijk bedoeld AFGODENDIENST.

Bij de beschrijving van de ondergang der beide huizen hebben we gezien, dat de ondergang het gevolg was van het bedrijven van afgodendienst.

Zoals in de mensenmaatschappij een vrouw andere mannen kan nalopen, zo volgden Israël en Juda niet meer God, de God van Israël, doch de afgoden der omringende, heidense volken.

Toen Israël na de uittocht van Egypte bij de Sinaï gevormd werd tot MIJN VOLK, kreeg het een volledige en VOLMAAKTE wetgeving, ook op het gebied van het huwelijk, betreffende een vrouw die haar man ontrouw werd, hield de wet het volgende in:

Deuteronomium 24:1-4:“Wanneer iemand een vrouw genomen en gehuwd heeft, dan zal, als hij haar geen genegenheid toedraagt, omdat hij iets onbehoorlijks aan haar gevonden heeft, en hij een scheidbrief geschreven en haar die overhandigd heeft, waarna hij haar uit zijn huis heeft weggezonden; en als zij dan uit zijn huis vertrokken, haarsweegs gegaan en de vrouw van een ander geworden is; en als dan de laatste man een afkeer van haar krijgt, een scheidbrief schrijft, haar die overhandigt en haar uit zijn huis wegzendt; of als de laatste man, die haar tot vrouw genomen heeft, gestorven is dan zal de eerste echtgenoot, die haar weggezonden heeft, haar niet opnieuw tot vrouw mogen nemen, nadat zij verontreinigd is geworden; want dat is een gruwel voor het aangezicht des Heren; gij zult geen zonde brengen over het land dat de Here, uw God, u ten erfdeel geven zal”.

Deze wetsbepaling verdient de GROOTSTE AANDACHT in verband met de ondergang van het huis Israëls der 10 stammen. Slaan wij daartoe Jeremia 3 op, in het vers 7 zegt God: “En Ik zei de, nadat zij dit alles gedaan had: Keer weder tot Mij; maar zij keerde niet weder; en dit zag haar zuster, trouweloze, Juda”.

Beide huizen hadden andere goden nagelopen. Beide huizen hadden overspel bedreven.

Doch uit de aangehaalde tekst blijkt, dat het huis Israël der 10 stammen de scheidbrief had gekregen van de EERSTE MAN, van God. Het huis Israël was de “vrouw” geworden van andere goden. En nu verbiedt de door God zelf aan Israël gegeven wet categorisch de terugkeer tot de eerste man, tot God.

Het Koninkrijk Gods, aan Juda ontnomen, kan naar de mens en zelfs naar de schrift gesproken, niet meer zijn MIJN VOLK, niet meer de vrouw van God. De terugkeer is onherroepelijk afgesneden door de scheidbrief, het huis Israël der tien stammen is voorgoed verloren, is voor niets door God gevormd, voor niets eenmaal tot zijn vrouw gemaakt. Alles wat de profeten van die vrouw geprofeteerd hebben, is maar in het wilde weg op eigen houtje gedaan, de 10 stammen hebben Gods werk met Israël ten iet gedaan, God is niet almachtig gebleken zoals de Schrift hem noemt, zijn verbond met de vaderen van Israël heeft hij niet kunnen houden, Juda heeft Hij in nationale zin onherstelbaar moeten afbreken. Israël heeft Hij de onherroepelijke scheidbrief moeten geven. Davids aardse koningshuis heeft Hij niet kunnen handhaven. Zolang zon en maan schijnen, ondanks Zijn verbond en Zijn beloften.

Sluit uw Bijbel maar mensen? Sluit uw kerken en uw zending maar? De God van Israël blijkt niet machtiger te zijn geweest dan de goden van Egypte?

MAAR PRIJS JEZUS, HALLELUA .. Wij hebben het profetisch woord dat zeer vast is. Aldus het Nieuwe Testament. Maar voor de GROTE MASSA van onze geestelijke leiders, die ons dit Bijbelwoord behoorden te verkondigen schijnt dit een ijdele klank.

Jesaja 50: 1-2:“Zo zegt de Here: Waar toch is de scheidbrief uwer moeder, waarmede Ik haar verstoten heb? Of wie van mijn schuldeiders is het, aan wie Ik u verkocht heb? Zie, om uw ongerechtigheden zijt gij verkocht en om uw overtredingen is uw moeder verstoten. Waarom was er niemand, toen Ik kwam, en antwoordde niemand, toen Ik riep? Is mijn hand dan werkelijk te kort om te verlossen, of is er in Mij geen kracht om te redden?”

En ook deze tekst spreekt voor zichzelf:

Jeremia 18:6. “Zal Ik met u niet kunnen doen zoals deze pottenbakker, 0 huis Israëls? Luidt het Woord des Heren. Zie als Leem in de hand van de pottenbakker, zo zijt gij in Mijn hand, huis Israëls!” En deze tekst waarin God zijn liefde duidelijk laat blijken voor zijn eerste vrouw Israël. Jesaja 54:4-6:“Vrees niet, want gij zult niet beschaamd staan; word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; ja, gij zult de schande van uw jeugd vergeten en aan de smaad van uw weduwschap niet meer denken. Want uw MAN IS UW MAKER, Here, der heerscharen is zijn naam; en uw Losser is de Heilige Israëls, God der ganse aarde zal Hij genoemd worden. Want als een verlaten en diep bedroefde vrouw heeft u de Here geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd, zegt uw God”.

Maar de theologische wereld schakelt de vrouw voorgoed uit en de vrouw der jeugd wordt omgezet in een nieuwe grootheid; de kerk, de gemeenschap der gelovigen in Christus. Uit alle volken en rassen .. Maar verteld de Schrift dit nu echt? Heeft God afgedaan met zijn VOLK?

“Het is volbracht”

In de dodelijke stilte en duisternis, die Golgotha omhullen, spreekt een stem, de stem van de EERSTE MAN. En voor dat uur schreef Jesaja zeven eeuwen tevoren, de woorden neer:

Jesaja 44:21-22:“Gedenk aan deze dingen 0 Jakob en Israël. Want gij zijt Mijn knecht; Ik heb u geformeerd; gij zijt Mijn knecht Israël: gij zult van Mij NIET VERGETEN worden, Ik DELG UWE OVERTREDINGEN UIT als ene nevel, en uwe zonden als ene wolk: Keer weder tot mij, WANT IK HEB U VERLOST”.

Jesaja 54:5. “Want uw maker is uw Man, de Heilige Israëls is uw Verlosser”.

Het is volbracht, de scheidbrief is vernietigd

Romeinen 7:2:“Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden, zolang deze leeft; wanneer echter de man sterft, is zij ontslagen van de wet, die haar aan die man bond”.

1 Korintiërs 7:39: “Een vrouw is gebonden, zolang haar man leeft; maar indien haar man is ontslapen, is zij vrij om te trouwen, met wie zij wil, mits in de Here “.

De eerste Man is dood, heeft Zich geofferd om ieder mens te redden die In Hem gelooft, en door diens offerdood heeft de eerste Man ook de (schuld van Israël) betaald) scheidbrief ten iet gedaan, die de terugkeer van de vrouw belette. Door Zijn dood heeft Hij Zijn vrouw teruggekocht, verlost. En deze vrouw is Ohola, de huisvrouw der jeugd, Samaria het HUIS ISRAËL, de 10 stammen.

Johannes 11:49-53:“Maar één van hen, Kajafas, de hogepriester van dat jaar zeide tot hen:

Gij weet niets, en gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat één mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat. Doch dit zeide hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet alleen voor het volk, maar ook om de VERSTROOIDE kinderen Gods bijeen te vergaderen. Sinds die dag beraadslaagden zij om Hem te doden “.

Onze geestelijke leiders ontkennen dit. Het zij zo: Wij kunnen uit de schrift niet anders lezen. Vervuld met de Heilige Geest sprak Zacharias:

Lucas 1:68:“Geloofd zij de Here, de God Israëls, want Hij heeft omgezien naar zijn VOLK en heeft VERLOSSING gebracht”.

En in de brief aan de Galaten leest men de woorden:

Galaten 4:4-5:“Maar toen de volheid destijds gekomen was, heeft God Zijn Zoon uitgezonden om hen die onder de WET waren VRIJ te KOPEN“.

Wie waren onder de wet?: Israël en geen ander volk op aarde. Ten derde dage herrijst de eerste MAN uit de dood en de apostelen gehoor gevende aan de opdracht van Jezus, Mattheüs 10:6, “begeef u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls”.

Verlaten niet lang daarna Jeruzalem om het evangelie van het Koninkrijk te verkondigen aan de “Verloren schapen van het huis Israëls” opdat dit, op zijn beurt, in de komende eeuwen deze boodschap brengen zou aan alle volken der aarde

Het kardinale punt

Met de offerdood van Christus is het kernpunt bereikt in de historie der 10 stammen, het kardinale punt onze Israël-waarheid. Houdt de geschiedenis van het Huis van Israël de 10 stammen op met de verdwijning naar Assyrië? Zijn zij opgelost als sneeuw voor de zon? Is er voortaan van een voortbestaan in nationale zin geen sprake meer? Bevinden zij zich in onze dagen onder hen, die wij Joden noemen? Ziedaar enkele vragen waarop ieder voor zich een beslist antwoord zal moeten zoeken. Hier eindigt het eerste boek van onze Israël-waarheid. Van dit antwoord zal afhangen of het nog zin heeft het tweede boek te lezen.

Laat ons de zaak korter en scherper stellen: moeten de 10 stammen in onze dagen nog bestaan als een volk (of volken) in nationale zin, ja of nee? Wie meent nee te zeggen, die verspille zijn tijd niet aan het tweede boek, zolang men er niet van overtuigd is dat de 10 stammen nog moeten bestaan als een afzonderlijke grootheid welke noch identiek is met de kerk, noch met de Joden, heeft geen zin om zich te gaan verdiepen in de vraag wie en waar dat hedendaagse Israël dan is.

Ter beantwoording van bovengenoemde vraag raadplege men zorgvuldig de beloften aan de vaderen van Israël: Abraham, Isaäk, Jakob en die betreffende het volk Israël en de Huizen Israël en Juda en het Koningshuis van David. En men beginne niet met de voorop gezette verklaring, dat het niet waar is. In dat geval heeft ook het gehele onderzoek geen zin.

Bij het bestuderen van het probleem houd men vóór alles één punt steeds voor ogen: waar onze visie afwijkt van de gewone gangbare theologische opvatting, daar betreft het niet de individuele mens. Ook omtrent de Koning van Israël bestaat er geen enkel verschil in opvatting tussen ons en de rechtzinnige theologen. Ook wij zien in Jezus Christus de Enig geboren Zoon van God, de enige Redder der wereld. Aan de ware betekenis van dit laatste nu wordt veel te weinig aandacht geschonken.

De persoonlijke redding van miljoenen individuele mensen is nog niet hetzelfde als de redding der wereld. Een volk, georganiseerd levende in staatsverband, is meer dan een aantal naast elkaar voort levende burgers. Voor iedere burger van die staat gelden regels voor zijn persoonlijke leven, welke voorschriften niet ongestraft kunnen worden overtreden. Maar zo zijn er ook voorschriften voor de burgers als gemeenschap, als een geheel, en ook die kunnen niet straffeloos achterwege worden gelaten.

Het spreekt dus vanzelf dat die gemeenschappen – voor alles de leiders daarvan – met die voorschriften bekend moeten zijn om ze te kunnen toepassen. Nu zijn de voorschriften ook voor de gemeenschap, voor een volk als eenheid, door God aan Israël bekend gemaakt. Van het al dan niet opvolgen daarvan waren zegen of vloek afhankelijk voor geheel het volk.

Genesis 12:1:“Tot Abraham sprak God bij zijn vertrek uit Ur: IK zal u maken tot een groot volk en gij zult een zegen zijn en alle volken der aarde zullen zegen wensen, u als voorbeeld noemen”.

Exodus 19:5-6:“Bij de Sinaï sprak God tot Mozes: Aldus zult gij tot het Huis van Jakob en tot de kinderen Israëls spreken. Nu dan, indien gij waarlijk luistert naar Mijn woord en Mijn verbond onderhoudt, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn: want Mij behoort de ganse aarde; en gij zult Mij zijn een Koninkrijk van priesters, een heilig volk. Dat zijn de woorden, die gij de kinderen Israëls zult verkondigen”.

Maleachi 4:4-6. En het Oude Testament sluit met de woorden: “Gedenk der wet van Mozes Mijnen knecht die Ik hem bevolen heb op Horeb aan gans Israël”.

Deuteronomium 31: 19:“Wanneer God aan Mozes de voorschriften bekend gemaakt heeft dan volgt er: En nu, schrijft u lieden dit lied, en leer het aan de kinderen Israëls, leg het in hunnen mond, opdat dit lied Mij ten getuigen zij tegen de kinderen Israëls “,

Deuteronomium 31:21:“En het zal geschieden wanneer vele kwade en benauwdheden het zullen treffen, dan zal dit lied voor Zijn aangezicht antwoorden tot getuige; Want het zal uit den mond zijn zaad niet vernietgd worden “.

En als wij nu beweren, dat het oude Israël der 10 stammen in onze dagen als kern van enige volkeren voortleeft dan is veelal de eerste tegenwerping van vele: zijn dan die volken beter dan anderen? Hebben zij het lied van Mozes aan hun kinderen en kindskinderen verkondigd? Hebben zij dan die wetten en voorschriften voor hun volken geleerd en gevolgd? Zijn tot een voorbeeld voor andere volken der aarde? Het antwoord hierop kan kort zijn: Men moet van het hedendaagse Israël der 10 stammen niet verwachten, dat het gevormd wordt door “heiligen”, ze zijn geen volk van priesters. Zij hebben in vele opzichten de wetten niet gevolgd. Ook in de volken, die wij zien als het ware Israël der 10 stammen in deze tijd, heersen nog in tal van opzichten de systemen van Babylon, materialisme, afgodendienst, ongeloof, onrecht enz ..

Maar daar tegenover kan onmiddellijk worden opgemerkt, dat ook het oude Israël vol was van wetsovertredingen, van afgodendienst en tal van zonden en gebreken, en toch, ondanks dit alles was en bleef het Mijn Volk. Weliswaar werd het 10 stammen Israël weggezonden en hield het op deel te zijn van Mijn Volk, doch de dood van Christus heeft hieraan een einde gemaakt. In hoeverre het 10 stammen Israël de opgedragen taakvervulling heeft uitgevoerd zullen we nu gaan belichten. Tevens zullen we dan zien of een groot aantal profetieën zijn vervulling heeft gezien in de kerk of in het Joodse volk, en of het Nieuwe Testamentische Israël vereenzelvigd mag worden met de kerk, de gemeenschap der gelovigen. Ook het overgrote deel dat theologen ontkent het voortbestaan van het Huis Israëls, de tien stammen, in de hedendaagse volken. Het Oude Testamentische Israël leeft nog in letterlijke zin alleen voort in het Joodse volk. Het Nieuw Testamentische Israël is nieuw. Hier volgen enkele profetieën van het herstel van het 10 stammen rijk Israël en hun opdrachten die ze uitgevoerd hebben en nog zullen doen, En hier wordt gesproken van een aards volk, dus deze dingen zijn letterlijk gebeurd of zullen nog gebeuren.

1. Jesaja 11:12:”En Hij zal een banier opheffen voor de volken, en de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier einden der aarde”.

Is dit gebeurd in 1948? De Joden bidden nog steeds voor hun verdwenen broederen van de verloren stammen van het HUIS ISRAËL. Maar in de kerken en ook de zogenaamde volle evangelie gemeenten wordt dit verkondigd, dat de Joden geheel Israël zijn, waarop gegrond?

2. Jesaja 41:15:“Zie Ik stel u tot een scherpe, nieuwe dorsslede met dubbele sneden; gij zult bergen dorsten en verbrijzelen, en heuvelen zult gij tot kaf maken “.

3. Jesaja 48:1,20:“Hoort dit gij HUIS JAKOBS, die genoemd worden met de naam Israëls. Gaat uit van Babel, verkondigt met de stem des gejuichs, brengt het uit tot aan het einde der aarde, zegt: de Here heeft zijner knecht Jakob verlost”.

4. Jesaja 44:22:“Ik vaag uw overtredingen weg als een nevel en uw zonden als een wolk, keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost”.

5. Jeremia 30:3:“Want zie, de dagen komen spreekt de Here, dat Ik de gevangenis van Mijn Volk Israël en Juda wenden zal, zegt de Here en Ik zal ze wederbrengen in het land dat Ik hunnen vaderen gegeven heb en zij zullen het erfelijk bezitten”

6. Jeremia 31:1,5.:Tezelfde tijd, spreekt de Here, zal Ik alle geslachten Israëls tot ene God zijn en gij zult weder wijngaarden planten op de bergen van Samaria”

7. Jeremia 31:31:“Zie de dagen komen, spreekt de Here, dat lk met het Huis Israëls en met het Huis Juda een nieuw verbond zal maken”

8. Ezechiël 16:55:“uwe zusters, Sodom en hare dochters zullen wederkeren tot haren vorigen staat, mitsgaders Samaria (de 10 stammen) en hare dochteren zullen wederkeren tot haar vorigen staat, zult gij (Juda) ook en uwe dochteren wederkeren tot uwen vorigen staat”.

Zijn zij allen teruggekeerd naar hun vorigen staat in 1948? Met God als hun Koning? De Joden verwerpen hun koning Jezus Christus.

9. Jeremia 33:25-26:”Z0 zegt de Here: Indien Ik Mijn verbond aangaande de dag en de nacht, de verordeningen van hemel en aarde, niet heb vastgesteld, dan zal Ik ook het nakroost van Jakob en Mijn knecht David verwerpen, dat Ik uit zijn nazaten geen heersers neem over het nageslacht van Abraham, Isaäk en Jakob, want Ik zal een keer brengen in hun lot en Mij over hen ontfermen”

10. Ezechiël 20:42:”En gij zult weten dat Ik de Here ben, als Ik u in het landschap Israëls gebracht zal hebben, in het land waarover IK Mijne hand opgeheven heb om het uwe vaderen te geven”

11. Ezechiël 36:31,33:“Dan zult gij gedenken aan uwe boze wegen en uwe handelingen, die niet goed waren. Ten dage als Ik u reinigen zal van alle uwe ongerechtigheden, dan zal Ik de steden doen bewonen”

12. Ezechiël 37:16 en volgende:“k zal de kinderen Israëls (van Israël en Juda) maken tot een enig volk op de bergen Israëls en zij zullen niet meer tot twee volkeren zijn, nog voortaan meer in twee koninkrijken verdeeld zijn en zij zullen wonen in het land dat Ik Mijnen knecht Jakob gegeven heb waarin uwe vaders gewoond hebben”

13. Hosea 2:13,15:“Daarom zie Ik zal ze lokken en ze voeren in de woestijn en Ik zal naar hun hart spreken en het zal ten dien dage geschieden, dat gij mij noemen zult mijn man, en mij niet meer; Baal”

14. Micha 5:6-7: “En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken als dauw van de Here als een leeuw onder de beesten des wouds”

15. Genesis 48:19:“Ik weet het mijn zoon, ik weet het: hij (Manasse) zal ook tot een volk worden, en hij zal ook groot worden; maar nochtans zal zijn kleinste broeder (Efraïm) groter worden dan hij en zijn zaad zal een volle menigte van volken worden “.

16. Jeremia 51:20:“Door u (Israël) zal Ik volken in stukken slaan en door u zal IK koninkrijken verderven”.

17. Psalm 89:26:“Ook zal Ik zijn hand leggen op de zee en zijn rechterhand op de stromen”.

18. Jesaja 60:5.:“Dan zult gij het zien en stralen van vreugde; uw hart zal zich ontroerd verruimen, want tot u zal de rijkdom der zee zich wenden, het vermogen der volken zal tot u komen”.

19. Obadja vers 17-18: ”Maar op de berg Sion zal er ontkoming zijn, en die zal een heiligdom wezen; en het Huis van Jakob zal zijn bezittingen weer in bezit nemen. Het Huis van Jakob zal het vuur zijn, het Huis van Jozef (Efraïm en Manasse) de vlam, en het huis van Ezau (de Joden) de stoppels: zij zullen hen in brand steken en verteren, en van het huis Ezau zal niemand ontkomen; want de Here heeft het gesproken”.

Met deze weinige voorbeelden moge worden volstaan, ze zijn gemakkelijk met vele soortgelijke uit te breiden. Men geve zich ernstig rekenschap van wat de grote betekenis van dit alles is, of men de over Israël uitgesproken profetieën maar zonder meer van toepassing mag verklaren op de kerk als gemeenschap der gelovigen.

En nu wil ik graag de antwoorden met u doornemen.

1. Bestaat de kerk uit de verdreven en van Israël en de verstrooiden uit Juda? De kerk wordt gevormd door de gelovigen. De “Ekklesia” uit Israël (de wedergeborene de van boven verwekten) vormen dus het lichaam van Christus. En de Joden die verstrooid werden zijn slechts een klein deel van Israël.

2. Dit is niet de taak der kerk (of gemeente). Hebben de Joden zulks gedaan? De bergen en heuvelen zijn beelden der vijanden van Israël, wier macht volkomen gebroken en vernietigd wordt.

3. Is de kerk of de gemeente uit Babel gevloden? Nee ze leven er midden tussen. Zijn de Joden Mijne getuigen geweest tot aan het einde der aarde. Dan zijn zij geen van beide Jakob die het wel moest doen.

4. De kerk of gemeente heeft God nimmer verlaten en de Joden hebben, in nationale zin, Christus nimmer aanvaard, geen van beiden konden dus wederkeren.

5. Is de kerk of gemeente in gevangenschap geweest? Is het land der vaderen aan de kerk beloofd? Heeft de kerk er vroeger gewoond?

Zo niet dan kan zij daarheen ook niet wederkeren.

6. Bestaat de kerk of gemeente uit alle geslachten Israëls? Vormen de Joden alle geslachten Israëls? Heeft de kerk vroeger daar wijngaarden geplant en zal dit weder moeten doen.

7. Bestond er met de kerk of de gemeente een oud verbond? Is de kerk beperkt tot Israël en Juda?

8. Zijn Sodom en hare zusters en dochters de zusters van de kerk of van de gemeente, zo niet, dan slaat het terugbrengen tot den vorigen staat op Israël en Juda die het wel zijn.

9. Heerst er iemand uit het zaad van David over de Joden? of over de kerk. Zo niet dan moeten we letten op de meervoudsvorm en van dat zaad heersen

over Israël en Juda, die noch de Joden, noch de heersende kerk zijn.

10. Heeft de Here Zijne hand opgeheven dat Hij het landschap Israëls aan de kerk zou geven” En wordt de kerk daarheen gebracht? Zo niet dan wordt er een ander Israël gebracht.

11. Moet de kerk of de gemeente zich hare bozen wegen en ongerechtigheden gedenken? In al deze punten dient de kerk niet het instituut te worden verstaan, doch de gemeenschap der gelovigen.

12. Was de kerk vroeger verdeeld in twee volken en twee koninkrijken? Zo niet dan slaat het niet op haar en dus ook niet de latere hereniging tot volk. 13. Is de kerk vroeger gevankelijk weggevoerd? Welk land is het land der kerk? Zij, die weder vergaderd zullen worden en naar hun land teruggebracht, vormen dus niet de kerk. Het zijn Israël en Juda.

13. Is de kerk vroeger gevankelijk weggevoerd? Welk land is de land der kerk? Zij, die weder vergaderd zullen worden en naar hun land teruggebracht, vormen niet de kerk. Het zijn Israël en Juda.

14. Bestaat de kerk uit de twaalf stammen van Israël, is Jozef een deel der kerk, zo niet dan wordt het land ook niet verdeeld onder de kerk, doch onder Israël en Juda.

15. Heeft de kerk God vroeger zijn Baal genoemd? Zo niet, dan is zij die tot hare vorige man terugkeert niet de kerk. Dus dat fabeltje dat de gemeente de bruid van Christus is, is hiermede dan opgelost, nooit meer over spreken, eerst de Bijbel raadplegen. Maar de sprekers gaan gewoon door, ze doen net of dat er geen letterlijk Israël meer is.

16. Is de kerk een leeuw onder de beesten des wouds, die vertreedt en verscheurt?

17. Bestaat de kerk uit twee delen waarvan het ene een groot volk is en het andere een volle menigte van volken.

18. Slaat dit alles op de kerk. Is dit de taak van de kerk?

19. Kunt u dit op de kerk van toepassing brengen?

Is het Huis van Jakob hetzelfde als de kerk of het huis van Jozef? Moet de kerk het huis van Ezau verbranden en verteren?

Het is een der tragediën van onze dagen. Dat onze theologen uitsluitend dit geestelijk Israël zien en dan ook durven zeggen dat in de staat Israël alles is vervuld, ze willen het niet anders zien, en ze zijn blind voor de profetieën betreffende het letterlijk Israël der 10 stammen. En niet alleen de geestelijke leidslieden zijn blind maar ook de Israëlvolken als geheel. Maar ook dat leert ons de Bijbel wanneer dit boek ons zegt, dat niemand zo blind is als mijn knecht (Israël). We gaan nu kijken naar de lotgevallen der 10 stammen na hun wegvoering naar Assyrië.

We hebben gezien, dat de beide groepen van Israël, Israël en Juda, de 10 stammen en de twee stammen, beide uit Palestina werden weggevoerd. Israël naar Assyrië en Juda omstreeks 125 jaren later naar Babylon. En dan van deze tweede groep later een gedeelte naar Palestina teruggekeerd en aldaar “het Joodse volk” vormde. Van een nationale terugkeer der 10 stammen is nergens in de Bijbel sprake. Integendeel… … Amos 9:9. “Want zie, Ik geef bevel en Ik zal het Huis Israëls onder al de HEIDENEN schudden gelijk zaad geschud wordt in een zeef; en niet een steentje zal ter aarde vallen”.

Amos 8:12:“Ziet, de dagen komen, dat zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten “.

Dat in deze teksten niet het gehele 12 stammenrijk noch “de Joden” bedoeld zijn, blijkt ondermeer uit. Hosea 9: 16-17:“Efraïm is geslagen zij zullen zwervende zijn onder de heidenen …. “.

Efraim is de naam voor het Rijk der 10 stammen

Jesaja 7:17:“De Here zal over u, over u volk en over uws vaders huis dagen doen aanbreken, zoals er niet aangebroken zijn sedert de dag, dat Efraïm zich van Juda scheidde de koning van Assur”.

Jesaja 11:12:“En Hij zal een banier opheffen voor de volken, en de verdrevenen van Israël verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier einden der aarde. Dan zal de afgunst van Efraïm verdwijnen en zij die Juda benauwden, zullen uitgeroeid worden; Efraïm zal niet afgunstig zijn op Juda en Juda zal Efraïm niet benauwen “.

Ezechiël 37:16:“Gij mensenkind, neem een stuk hout en schrijf daarop: voor Juda en de Israëlieten die daarbij behoren; neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: voor Jozef het stuk hout van Efraïm en het gehele Huis van Israëls dat daarbij behoort”.

Zijn er nu in de Bijbel aanduidingen welke ons een eerste aanwijzing zouden kunnen geven dat wij de tien stammen in een latere toekomst niet in Palestina moeten zoeken? Laat ons eerst opslaan 2 Samuël 7:10 alwaar we vinden dat God na aan David het koningschap in Israël te hebben beloofd “voor Zijn volk Israël een woonplaats aan zal wijzen opdat het daar duurzaam wone, niet meer zal worden verontrust en niet meer door geweldenaars onderdrukt zal worden”. Dat is niet in Palestina waar Israël toen woonde.

Een tweede aanduiding vinden we in Numeri 24: 17, waar de profeet Bileam sprekende over Israël, tot de Koning van Moab zegt, “Ik zie hem, maar niet in het heden, Ik aanschouw hem, maar niet als dichtbij“.

In Jeremia 31: 18. Klaagt Efraïm, dat God hem getuchtigd heeft doch in het volgende vers zegt hij, dat hij berouw kreeg en tot inzicht kwam .. “Ik ben beschaamd, ja ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb … vergelijken we hierbij Jesaja 54: 1-9, hier wordt precies dezelfde woorden gebezigd in vers 4.

En hier is zonder de minste twijfel sprake van herstel der “verlaten huisvrouw der jeugd” de met een scheidbrief heengezonden.”

Jeremia 3:8.:“Maar Ik zag, toen Ik afkerigheid, Israël, ter oorzake van haar echtbreuk, verstoten en haar de scheidbrief gegeven had, dat haar zuster, trouweloze, Juda, zich niet liet afschrikken, maar heenging en eveneens ontucht pleegde”

Lees ook Jesaja 50: 1. Ten overvloede zegt Jeremia 31:20: “Is niet Efraïm Mij een dierbare zoon, Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen”. En tot deze zelfde Efraïm volgt dan de opdracht: “Richt voor u herkenningsstenen op, plaats voor u wegwijzers: sla acht op de heirbaan, den weg dien gij zijt gekomen. Keer weder gij jonkvrouw Israëls, keer weder naar uwe steden “. Jeremia 31:21.

Deze en vele andere teksten wijzen er op, dat het Huis Israëls na zijn verbanning naar Assyrië een grote toekomst wacht. Noch in dit land noch in Palestina zijn de herstel-beloften vervuld. Dus zal deze elders gezocht moeten worden. De “kroniek van Nabopolasar” koning van Babylon, vermeldt de verovering van Assyrië door de Meden en Babyloniërs. In 610 voor Christus viel de hoofdstad Ninive, het Assyrische rijk verkeerde reeds enige tijd in grote onrust en indien de 10 stammen het oord hunner ballingschap zouden willen verlaten, dan was thans de gelegenheid daartoe gunstiger dan ooit.

Laat ons thans opslaan het vierde boek van Ezra hoofdstuk 13, Apocriefe boeken van het Oude testament. Dit is weliswaar geen tot de Bijbel behorend boek, doch wanneer men op grond van alleen daarvan zou willen beweren dat de hieronder volgende aanhaling onwaar zou zijn, dan kan dit proces niet minder worden toegepast op meerdere feiten welke als “historisch” worden geaccepteerd. Wie beweert, dat deze teksten niet in het geding mogen worden gebracht, zal zulks dienen te bewijzen.

De profeet Ezra ziet in een visioen een man uit de zee op komen tegen een grote menigte streed, Ezra 13:3-8:”Nadat deze strijdende verslagen zijn ziet Ezra, dat die man een andere menigte van vreedzaam volk tot zich verzamelt. En wanneer een tijd zal zijn aangebroken waarop de volken der aarde met elkaar zullen strijden dan volgt: en als deze dingen geschieden, en de tekenen gebeuren, die IK u tevoren getoond heb, dan zal Mijn Zoon geopenbaard worden, dien gij als een man hebt zien opkomen”.

Ezra 13:30-33:“En dat gij gezien hebt, dat hij een andere vreedzame menigte tot zich vergaderd heeft”.

En dan lezen we in Ezra 13:39-45. “Deze zijn de tien stammen die uit hun land gevangen zijn genomen in de dagen van de koning Hosea, dien Salmanasser de koning der Assyriës gevankelijk weggevoerd heeft en heeft hen over de rivier gevoerd, en zij zijn overgebracht in een ander land. Doch zij besloten, dat zij de menigte der heidenen zouden verlaten, en in een ander land vertrekken, waar geen menselijk geslacht tevoren gewoond had. Daar wilden zij hun rechten onderhouden, die zij in hun land niet gehouden hadden. Zij zijn dan daarin getogen door de enige ingangen van de rivier Eufraat. Want de Allerhoogste deed hun toen tekenen, en hield de aderen der rivier op, totdat zij daarover gegaan zijn. Want door dat land was een weg van een lange reis van anderhalf jaar, daarom wordt die landstreek Assareth genoemd”.

Hoe men dan ook over dit boek Ezra moge denken, we hebben hier in ieder geval te doen met een zeker meer dan 18 eeuwen oude beschrijving. En in dit zelfde l3e hoofdstuk komt de merkwaardige tekst voor: “Daarom schrijft al deze dingen die gij gezien hebt, in een boek en leg dat in een verborgen plaats” vers 37. Nu betekent het woord “Apocrief’ verborgen. Is het niet mogelijk dat deze visioenen zijn opgetekend in een der Apocriefe boeken, het vierde boek Ezra, in verband met bovenstaande tekst.

De streek der ballingschap was het gebied rond de zuidwest en zuidkust van de Kaspische zee. Vandaar naar de “enge ingangen van de rivier Eufraat” zou de route in westelijke richting hebben gelopen tot de streek van het Wanneer en daarna in noordelijke. Er zijn aanwijzingen dat niet alle stammen dezelfde weg zijn gegaan. Een groep moet de hierboven beschreven weg gevolgd zijn naar het midden van het Kaukasisch gebergte, een ander zou aanvankelijk de kust der Kaspische zee gevolgd hebben om zich, na die zee te zijn om getrokken, eeuwen later zich in westelijke richting naar Europa te hebben begeven. De vraag zal wellicht rijzen hoe het dan komt, dat de historische boeken ons daaromtrent niets meedelen. Nergens zal men daarin de naam Israël na de ballingschap meer aantreffen, behalve dan voor het Joodse volk. Dit feit was echter te verwachten.

De tien stammen waren heengezonden met een scheidbrief, hadden opgehouden, een der beide “vrouwen van God te zijn”, niet langer meer een deel van “mijn volk”, zij waren verloren daarmede het recht om de eretitel Israël te dragen, zij waren geworden “tot heidenen” tot de “verloren stammen”. Maar, de historie heeft hun bewegingen wel beschreven, doch onder andere namen. Niemand der latere geschiedschrijvers heeft geweten, dat onder het masker van andere namen het Huis Israël zijn ongeweten bestemming tegemoet trok, op weg naar de plaats die God voor Zijn volk zou bestemmen. II Samuel 7:10 Slecht de leider en herder wist waarheen Hij zijn schapen voerde. In dezelfde tijd waarin Israël volgens het vierde boek Ezra Assyrië verlaat, verschijnen in de historie twee groepen, de “GETOE” en de “MASSAGETOE” voor de keten van de Kaukasus, laatstgenoemde naam wordt later aangetroffen ten oosten van de Kaspische zee, eerstgenoemde ten westen van de Zwarte zee nabij de mondingen van de Donau. De naam Getoe verschijnt ook nog in andere samenstellingen als: Sygetoe, Thyssagetoe en Moesogetoe. De streek der ballingschap der 10 stammen heten in de oudheid het land van Guta of Gutium. Mag in Gutium verband gezocht worden met het Githische woord Guth=God en Thiuda=volk [in de zin van natie?] Aan de taalkundige om dit te beantwoorden.

In historische atlassen vinden we later de naam “Getoe of Geten” voor een volk wonende in het mondingsgebied van de Donau. Dit wijst er op dat de Getoe na het overschrijden van de Eufraat door de Kaukasus getrokken zijn naar dit Donaugebied. De enige voor vervoer ook met karren bruikbare pas loopt in N.Z.-richting door ongeveer het midden van dit gebied en gebergte. Deze pas heet op de landkaarten de pas van Daniël, Daniël betekent de poort van de stammen.

Aan de Russische zijde begint de pas met een flauwe helling de langs de bedding van de Terek, welke door de kloof van Daniël stroomt. Dan volgt een lange reeks alpen dalend, de eigenlijke pas en tenslotte een steile afdaling door de vallei van de Argarwa-rivier naar de vlakte van Georgië. Het hoogste punt van de pas is ongeveer 3000 meter, de lengte van de weg bedraagt 230 kilometer, aanvangende bij Wladikawkaz en eindigt bij Tiflis, de hoofdstad van Georgië. Voor de komst van de Russen was deze weg slechts een rijpad. Na enige mijlen van Wladikawkaz de brede vallei van Balta te zijn gepasseerd bevindt de reiziger zich plotseling voor de ingang van de kloof van Daniël.

Deze ingang wordt beheerst door een grote rotswand, bekroond met het bolwerk van Koningin Tamara. Na de meer dan 5000 meter hoge “Kasbek” te zijn gepasseerd wordt ongeveer halverwege de pas een steile rotsmassa bereikt waarop een oude wachttoren. Deze rotspartij is bekend als de “Berg Zion” en het oude, versterkte dorp aldaar draagt eveneens de naam “Zion” . De zuidelijke uitgang van de pas langs de Argasva rivier is steil en dit gedeelte staat plaatselijk bekend als de poort van Israël.

Eenmaal door het Kaukasisch gebergte heen lag de weg door de vlakte van Zuid-Rusland open om het via de Krim, hetzij om de zee van Ozov heen het gebied te bereiken van het tegenwoordige Bessarabië, ten noorden van de Ponaumondingen. Hier vindt men op de kaart de rivier de Serth en de stad Sereth, 40 km zuidoost van Zemwitz.

Herinneren we ons nog even het 4e boek van Ezra waar de uittocht vermeldt staat van de tien stammen uit Assyrië naar een land genaamd Assareth. De Engelse vertaling geeft Aszareth .. Az betekent stad of hoogte. En in het gebied van de Sereth vinden we de “Getoe” of Geten.

Op de oude landkaarten en in historische atlassen vinden we zuid en oost van de Kaspische zee de naam van een volk genaamd Saka of Saca, Sacai of enkele andere soortgelijke spellingen. Daarnaast een andere naam de Sayten. Ondermeer droeg de streek van de tegenwoordige Oekraïne de naam van Saythië. Deze volken, ook de Getoe, droegen echter verschillende namen bij verschillende volkeren wanneer deze over hen schreven. Een heel normaal verschijnsel, wanneer wij de geschiedenis lezen van de laatste oorlog in verschillende talen, dan was de Duitser de Germaan, de Allemand de Tijsker de Tedescho enz, die west Europa binnenviel. Al deze namen geven echter een en hetzelfde volk aan. In de oudheid was dit precies zo.

Om een heel enkel voorbeeld aan te halen, in zijn werk Phoenician origin of the Britons Schots and Anglo-Saxons zegt Prof. L. A. Waldell; De Guti (Getoe) werden door de Grieks-Romeinse wereld Sakai genoemd of Sacae Plutarchus, Tacitus, Ptolemeus spraken allen Sacoe, Schythen en Getoe als hetzelfde volk. Jordanus de Gothische historicus spreekt van hetzelfde onder de naam Getoe en Schyten. In een inscriptie op de rots van Belistum (oost Baghdad) wordt een volk aangeduid met drie verschillende namen Saka, Shyten en Cimmerriers (Gimimi).

Naast deze treffen we ook een naam Gymry aan uitgesproken als Kurmri. Op de zwarte obelisk van Shalmanasser II vindt men ondermeer de volgende woorden: De schatting van Yahua Abil Khumr, De schatting van Jehu, zoon van Khumri. Jehu was koning van Israël. Hem beschouwden de Assyriërs als de nakomeling van Omri de stichter van de hoofdstad der 10 stammen, Samaria. Een inscriptie van Tiglalath Pilerer III vermeldt: Het land van Bet-Humria zijn gehele volk met haar bezittingen bracht ik over naar Assyrië.

Bit-Hunria = Huis van Omri.

De tot nu genoemde namen en verschillende andere zien we, zij het iets veranderde spelling, steeds verder in westelijke richting in Europa optreden. We vinden namen als De Krim, de Cimmerische zee, oude naam der zwarte zee. We zien de namen Saythen in Skuti, Getoe in Gothen in Saka Sachs en Saxones, Kymirie in Kimbren. Het zelfde in het geval met de namen van streken waar de tien stammen in ballingschap geweest zijn. We vinden deze terug in de namen van landen, landstreken en steden in de kustlanden van west Europa en de Britse eilanden.

We mogen in deze namen niet meer zien dan een zijdelingse aanwijzing dat de volkeren, die thans de kusten van noord-west Europa en de Britse eilanden bewonen, oorspronkelijk voor het grootste deel gevormd zijn door de groepen, die onder de hiervoor genoemde namen, en nog andere vanuit het gebied der ballingschap van de 10 stammen naar west-Europa zijn getrokken. Vanuit Scandinavië, Denemarken, Holland, België en NoordFrankrijk zijn Noormannen, Jutten, Denen, Friezen, Angelen en Saksen overgestoken naar de Britse eilanden, ten dele zijn deze in de kustlanden achtergebleven en ook tijdens hun tochten door Europa hebben ongetwijfeld wel achterblijvers zich onder andere volken gevestigd.

Omstreeks 600 voor Christus vangt de mars naar het westen aan. Kumri Sacai, Getoe, Scyten, Getae, Angli, zij allen gaan de weg naar de plaats, die Ik voor Mijn Volk Israël, besteld heb. 2 Samuël 7;10. Door klein-Azië, door de steppen van Rusland, door de wouden en over de gebergten van Europa zwerven zij van zee tot zee, van het noorden tot het oosten onder de heidenen.

Hosea 9:17:“Mijn God zal hen verwerpen, omdat zij naar Hem niet geluisterd hebben; en zij zullen dolende zijn onder de volken”.

Amos 8:12:“Dan zullen zij zwerven van zee tot zee, en van het noorden naar het oosten zullen zij dolen, om te zoeken het woord des Here; maar vinden zullen zij het niet”.

Ezechiël 20:35:“Ik zal u brengen naar de woestijn der volken en daar met u in het gericht treden, van aangezicht tot aangezicht”.

En dit ging toen in vervulling. De eeuwen spoeden voort en dan nadert het ogenblik waarop de klok van het heelal het uur 5 oktober van het jaar 4 vóór het begin van onze jaartelling slaat. Het uur, meer dan 26 eeuwen tevoren vastgelegd in het gesteente der grote Piramide; de Maagd uit het Koninklijk Huis van David, van de stam Juda, brengt de Redder der mensheid de Koning van Israël voort.

Omstreeks 33 jaar later volgt het drama van Golgotha, de geestelijke leiders der Joden verwerpen hun Koning. De tweede zoon genoemd in Matth.21:30, heeft zijn woord gebroken. De andere zoon, die geweigerd heeft in de wijngaard te werken, is verworpen. In het noodlottig uur der kruising zwerft hij in de “wildernis der volken”, niet meer Mijn Volk, de “verloren zoon”. Maar dan klinken van het kruis de woorden HET IS VOLBRACHTnaast de individuele redding van alle mensen, die Hem aanvaarden, is de scheidbrief der tien stammen vernietigd.

Jesaja 50:1-2:“Waar is de scheidbrief van u lieden moeder waarmede Ik haar weggezonden heb”.

Jesaja 44:21-22:”Gedenk aan deze dingen 0 Jakob, en Israël, want gij zult van Mij niet vergeten worden. Ik delg uwe overtredingen uit als een nevel en uwe zonden als een wolk: Keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost.”

De leiding van Gods Koninkrijk is door Jezus aan “de Joden” ontnomen, Mattheüs 21: 31-46 en overgegeven op de tien stammen, de teruggekochte “vrouw” en Jezus zendt zijn apostelen uit met de opdracht: Wijkt niet af op een weg naar de heidenen (hier bedoeld als alle volken, die niet van Jakob stammen) gaat gene stad van Samaritanen binnen: begeef u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls Mattheüs 10:5-6.

En de apostelen, deze opdracht volvoerende gaan de marsweg der tien stammen en verkondigen het Evangelie van het Koninkrijk, de taak, die de beide zonen in de wijngaard opgedragen was, tot aan de westkust van Europa en in de Britse eilanden. We hebben gesproken over migraties van volken onder verschillende namen door Europa en zich begeven naar de kustlanden en eilanden in het noordwesten van onze wereld.

Wij als kwartiermakers zien in deze groepen de nakomelingen van de naar Assyrië verbannen 10 stammen, die het noordelijke Rijk Israël in Palestina vormde. In het Britse Rijk en in de Verenigde Staten van Amerika zien wij de vervulling van de over de zonen van Jozef, Efraïm en Manasse en Juda, uitgesproken voorzegging van de stervende Jakob. Genesis 48:1-20. Uit deze beide kleinzonen van Jakob zouden twee broeder volken ontstaan waarvan het ene zou zijn “een groot volk” en het andere “een volle menigte van volken” De overige der 1 0 stammen zouden dan de volken van Scandinavië Denemarken en de lage landen aan de kust der Noordzee vormen en Zuid-Afrika als een gedeelte van Juda en de velen die vanuit Holland Frankrijk enz daarheen gegaan zijn onder druk van de geloofsvervolging in Europa. De room van Europa ging naar Zuid-Afrika, en heeft dat bewezen als geloften volk. Het enigste volk die de opdracht van God heeft nageleefd namelijk Heilig = apart. Zij worden nu gedwongen onder een communistische regering te leven. Hetgeen niet zeggen wil, dat alle inwoners dier landen de 10 stammen zouden vertegenwoordigen, de bevolkingen zijn in de loop der eeuwen meer of minder vermengt geworden met andere, niet tot Israël behorende. Het betreft de kernen der genoemde volken, omgekeerd is het zeer waarschijnlijk dat ook elders “Israël” groepen bevinden die echter geen zelfstandige naties gevormd hebben.

Een vraag welke in dit verband vaak gesteld wordt, is deze: als dan de kernen van die volken van Noord-West Europa en de Verenigde Staten enz inderdaad nakomelingen zouden zijn van het oude Israël der 10 stammen, hoe dan te verklaren dat zij niet het Joodse voorkomen hebben.

Het antwoord hierop is, dat het oude Israël van vóór de ballingschap dit uiterlijk niet bezat. Geleerden als Prof. Wilkenson, Maspero en Thinders Petrie hebben dit nadrukkelijk verzekerd. In zijn “Struggle of the Nations zegt Maspero” dat de karakteristieke trekken van het Joodse volk typisch noord-Syrisch zijn, en dit beslist geweest zijn sedert meer dan 2500 jaren voor Christus. Dat is dus voordat Abraham en zijn nakomelingen met noordSyrië in contact kwamen.

In het tweede deel van zijn “History of Egypt” schrijft Thinder-Petrie dat de in Egypte afgebeelde trekken uit de tijd waarin Israël in Egypte was, dit tijdens de midden periode der achttiende dynastie, niet het moderne Joodse gelaat type weergeven, en Wilkinson merkt in zijn Ancient Egypteans eveneens op, dat de Egyptisch muurschilderingen van de Joden in de 10e eeuw voor Christus niet de bedoelde trekken weergeven. De stam van Juda had deze trekken evenmin. Het Joodse uiterlijk is ontstaan door vermenging van mensen van het rijk Juda tijdens en na de ballingschap in Babylon en in de latere tijd na de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen, met andere volken.

Wij vinden ondermeer iets in het boek Ezra 9:1-2:“Toen dit gebeurd was, kwamen de oversten tot mij en zeiden: Het volk Israël, de priesters en de Levieten hebben zich niet afgezonderd gehouden van de volken der landen, wat hun gruwelen betreft: van de Kanaänieten, de Hethieten, de Ferizzieten, de Jebusieten, de Ammonieten, de Moabieten, de Egyptenaren en de Amorieten. Want zij hebben uit hun dochters vrouwen genomen voor zich en hun zonen, waardoor het heilige zaad (sperma) zich vermengd heeft met de volken der landen; ja, de oversten en de leiders zijn in deze trouwbreuk voorgegaan “.

Reeds eerder werd opgemerkt, dat een groot aantal namen van volken, landstreken, plaatsen en rivieren, welke zich vanuit het oosten in de loop der eeuwen in westelijke richting hebben bewogen tot in de kustlanden en eilanden van noord-west Europa, wel mogen worden gezien als zijdelingse aanduiding, doch dat deze in zich zelf niet mogen worden beschouwd als zo vele bewijzen. Meer houvast geeft de historie van deze volken na het bereiken van hun eindbestemming in geografische zin.

De Bijbel noemt ons meerdere kenmerken van het toenmaals toekomstige Israël. Het zou een groot en machtig volk worden, zich uitbreiden naar alle hemelstreken op aarde: de Jozef-stammen Efraïm en Manasse zouden beide groot worden, Efraïm in het bijzonder: Israël zou over vele volken heersen, doch zelf niet overheerst worden. Het zou de schatten van de bodem der zeeën bezitten: het zou onoverwinnelijk zijn. Doch zelf als Gods strijdhamer andere rijken vernietigen.

Op de troon van Israël zou een koning zitten uit het Huis van David, zolang zon en maan zouden schijnen. Israël zou onder een andere naam leven, niet meer Israël en onder een nieuw verbond. Het zou een zendingsvolk zijn enz. enz.

De profeten spreken over Israël richten zich hierbij herhaaldelijk tot de eilanden (of kustlanden) die van verre zijn. De voornaamste taak van Israël zijn zendingstaak, is voor verreweg het grootste deel uitgegaan van de volken van Noordwest Europa. Men denken slechts aan de Bijbel-vertalingen en in het algemeen de verbreiding van het Evangelie. Deze enkele punten kunnen met vele andere worden vermeerderd, uit heel de Bijbel blijkt, dat de rol van Gods volk niet uitgespeeld was met de wegvoering van Israël en Juda naar resp, Assyrië en Babylon. En even helder toont de Schrift aan, dat die rol niet uitgespeeld is door de Joden en dat acteurs in de latere bedrijven niet gestoken zijn in het gewaad der kerk. Wanneer men zich hiervan bewust geworden is dan rest nog alleen de mogelijkheid dat die acteurs de letterlijke nakomelingen zijn van het letterlijke Huis van Israël, zij het in andere gedaante dan ten tijde van vóór de ondergang zoals eenmaal Jozef na diens ondergang voor de verbaasde en ontstelde ogen zijner broeders als uit het graf herrees.

Er rest thans nog een uiterst belangrijke kwestie te bespreken en wel deze: als men voor zichzelf tot de overtuiging gekomen is, dat deze visie op Israël juist is, wat hebben we daarmee dan bereikt? Heeft de kennis van dit alles ons iets dichterbij gebracht bij onze persoonlijke redding? Hebben wij die kennis daarvoor nodig? Het antwoord op deze vraag werd reeds vele malen in woord en geschrift gegeven, neen. Wij hebben die kennis voor onze persoonlijke redding niet nodig. In dit opzicht staan wij geheel aan de zijde van onze geestelijke voorgangers en het is ook in hoofdzaak hier om, dat deze onze visie, met zo veel heftigheid verwerpen. Wat deze geestelijke voorgangers echter niet zien of willen zien, is dat het Evangelie voor de enkele mens niet is het volledige Evangelie. Het evangelie van het Koninkrijk heeft zowel een nationale als een individuele zijde. De verhouding tot God, tot Jezus Christus is voor ons als individuele mens het voornaamste maar daarmee is althans één bepaald volk op aarde, onze taak op aarde niet geheel vervuld.

God formeerde eenmaal dat speciale volk, Mijn Volk Israël, aan welk volk Hij Zijn wetten gaf, wetten zowel voor het volk in nationale zin als voor de individuele Israëliet. Bij de Sinaï vormde God een zeer bijzonder Koninkrijk:“Het Koninkrijk Gods op aarde”. Dit zou een model koninkrijk zijn, een voorbeeld voor alle volken der aarde. Dit zou inderdaad een model koninkrijk geworden zijn wanneer de natie, Israël, zich aan de wetten, zowel individueel als nationaal zou hebben gehouden. Dat weten we uit de latere historie, dat Israël dit niet gedaan heeft en daarvoor zwaar gestraft is geworden. De tien stammen uit het Huis van Israël hield zelfs op deel uit te maken van Gods volk. Dit alles wil echter niet zeggen, dat God Zijn werk met Zijn volk heeft moeten opgeven wegens de zonden van Israë1. Heeft God dat volk gevormd om het voorgoed als onbruikbaar te verwerpen? Wat blijft er dan van de almacht en vooruit weten van God over? Neen, het woord des Heren blijft in der eeuwigheid.

2 Petrus 1:19:“En wij achten het profetische woord daarom des te vaster, en gij doet wèl, er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten “.

Lees dan dit profetisch woord zoals dit opgetekend is in bijvoorbeeld de latere hoofdstukken van het boek Jesaja, te beginnen met het 40e en volgende waarin de profeet zich richt tot het Israël der toenmalige toekomst.

Jesaja 40:27-28:“Waarom zegt gij, 0 Jakob, en spreekt, 0 Israël: mijn weg is voor de Here verborgen en mijn recht gaat aan mijn God voorbij? Weet gij het niet, hebt gij niet gehoord? Een eeuwig God is de Here, Schepper van de einden der aarde. Hij wordt noch moede noch mat, zijn verstand is niet te doorgronden”.

Jesaja 41:8-10:”Maar gij, Israël, mijn knecht, Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham, gij, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken, tot wie Ik zeide: Gij zijt mijn knecht, Ik heb u verkoren en u niet versmaad vrees niet, want Ik ben met u; zie niet angstig rond, want Ik ben uw God. Ik sterk u, ook help Ik u, ook ondersteun Ik u met mijn heilrijke rechterhand”.

Jesaja 43:22-25:“Doch Mij hebt gij niet aangeroepen, O Jakob, of u om Mij moeite geven, 0 Israël, Gij hebt Mij de schapen uwer brandoffers niet gebracht en met uw slachtoffers hebt gij Mij niet geëerd; Ik heb u niet lastig gevallen om spijsoffers en Ik heb u geen moeite aangedaan om wierook. Gij hebt Mij voor zilver geen kalmoes gekocht en met het vet uwer slachtoffers hebt gij Mij niet gelaafd. Neen, gij zijt Mij lastig gevallen met uw zonden, hebt Mij moeite aangedaan met uw ongerechtigheden. Ik, Ik ben het, die uw overtredingen uitdelg om Mijnentwil en Ik gedenk uw zonden niet”.

Jesaja 44:21-22:“Denk hieraan, Jakob; Israël, want gij zijt mijn knecht; Ik heb u geformeerd, gij zijt mijn knecht, Israël; gij wordt door Mij niet vergeten. Ik vaag uw overtredingen weg als een nevel en uw zonden als een wolk; keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost”.

Jesaja 45:3-4:“En Ik zal u geven de schatten der duisternis en de rijkdommen der verborgen plaatsen, opdat gij weet, dat Ik de Here, het ben, die u bij uw naam riep, de God van Israël. Ter wille van Mijn knecht Jakob en van Israël, mijn uitverkorene, riep Ik u bij uw naam, gaf u een erenaam, hoewel gij Mij niet kendet”.

Jesaja 45:16-17:“Zij staan beschaamt en zijn ook te schande geworden, allen tezamen zijn zij smadelijk afgedropen, de makers van afgodsbeelden. Israël wordt door de Here verlost met een eeuwige verlossing; gij zult noch beschaamd staan noch te schande worden in alle eeuwigheid”.

Jesaja 46:3-4:“Hoort naar Mij, huis van Jakob en geheel het overblijfsel van het huis Israël, die door Mij gedragen zijt van moeders lijf aan, opgenomen van moederschoot af Tot de ouderdom ben Ik dezelfde en tot de grijsheid toe zal Ik u torsen en redden “.

Jesaja 48: 17-20:”Zo zegt de Here, uw Verlosser, de Heilige Israëls: Ik ben de Here, uw God, die u leert, opdat het u wel ga: die u de weg doet hertreden, die gij moet gaan. Trek uit Babel, ontvlucht de Chaldeeën. verkondigt het met jubelgeklank, doet dit horen, verbreidt het tot aan het einde der aarde; zegt: de Here heeft zijn knecht Jakob verlost”.

Jesaja 50: 1-2. “Zo zegt de Here: Waar toch is de scheidbrief uwer moeder, waarmede Ik haar verstoten heb? of wie van mijn schuldeisers is het, aan wie Ik u verkocht heb? Zie, om uw ongerechtigheden zijt gij verkocht en om uw overtredingen is uw moeder verstoten.

Jesaja 54:4-8:”Waarom was er niemand, toen Ik riep? Is Mijn hand dan werkelijk te kort om te verlossen, of is er in Mij geen kracht om te redden? Zie, door Mijn dreigen leg Ik de zee droog en maak Ik rivieren tot een woestijn; hun vis wordt stinkend, omdat er geen water is, en sterft van dorst”

In het vorenstaande zijn enkele teksten weergegeven, allen al uit de latere hoofdstukken van Jesaja. Hoe men deze en vele andere teksten voor ogen, kan beweren, dat het Huis Israëls wegens zijn zonden voorgoed door God verworpen is, is ons een raadsel. De uitroep in Jesaja 50: 1 “Waar is de scheidbrief van uw lieden moeder waarmede IK haar weggezonden heb”, is alleen reeds afdoende. Dit weerlegt ook volkomen de bewering van diverse theologen als zouden de tien stammen mede nar Palestina teruggekeerd zijn na de Babylonische ballingschap. De scheidbrief belette pertinent dat de tien stammen weer deel werden van Gods volk (Deuteronomium 24:2-4). Dit kon eerst geschieden nadat de eerste man dood was (1.Korinthiërs 7:39). Het weder deelworden van Gods volk kon dus nimmer geschieden vóór Golgotha en vóór de offerdood van Christus kon de eretitel Israël niet meer dragen door de tien stammen.

We wenden ons nog even tot de profeet Jeremia.

Jeremia 30:3-4, 10:“Want zie, de dagen komen, spreekt de Here, dat Ik de gevangenis van Mijn volk Israël en Juda (dus niet alleen van Juda) wenden zal, zegt de Here, en Ik zal ze (Israël en Juda dus) weder brengen in het land, dat Ik hunner vaderen gegeven heb en zij zullen het erfelijk bezitten”.

“En dit zijn de woorden die de Here gesproken heeft van Israël en van Juda, gij dan vreest niet, 0 Mijn knecht Jakob (dat is Juda en Israël samen) spreekt de Here en ontzet u niet, Israël, want zie, Ik zal u uit verre landen verlossen en uw zaad (Sperma) uit het land hunner gevangenis en Jakob (Israël en Juda samen) zal wederkomen”.

Jeremia 31:1, 9 27, 28, 35, 36,37:“Terzelfde tijd, spreekt de Here, zal Ik alle geslachten Israëls tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Want Ik ben Israël tot een vader en Efraïm (niet Juda) is mijn eerstgeborene, zie de dagen komen spreekt de Here, dat Ik het Huis Israëls en het Huis van Juda bezaaien zal met zaad van mensen (blank Adamitische zaad) en zaad van beesten en het zal geschieden gelijk Ik over hen gewaakt heb om uit te rukken en af te breken en te verstoren en te verderven en kwaad aan te doen, alzo zal Ik over hen waken om te bouwen en te planten spreekt de Here, zo zegt de Here die de zon ten licht geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren te licht des nachts. Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de Here, zo zal ook het zaad Israëls ophouden dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, alle de dagen zo zegt de Here: Indien de hemel daarboven gemeten en de fundamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israëls verwerpen om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de Here”.

Dit alles en nog veel meer zijn woorden welke de Here heeft gesproken, maar wat en hoe leren wij daarvan van onze geestelijke leiders?

Er staan dingen in het boek der boeken welke nimmer in de Christelijke kerken geleerd worden. Dingen scherp gesteld, duidelijk, beslissend en van zo grote draagwijdte dat zij het aanschijn der gehele wereld zullen veranderen. Beloften, voorzeggingen, feiten, volslagen genegeerd en die toch van het uiterste belang voor ons tijdperk zijn. Dit alles is neergeschreven in woorden en zinnen met Gods bedoeling, dat zij door ons zouden worden begrepen en dat wij daardoor zouden worden gewaarschuwd, doch waaraan de diepzinnige geest van onze leraren, vooringenomen door hun overschatting van menselijke kennis, voorbij gegaan is door de eenvoud der woorden, zó klaar en zó op de voorgrond treden zijn deze dingen, dat deze reeds lang geleden zouden zijn ingezien, wanneer niet onze geleerden deze op de kop gezet hadden. Het woord van God bevat waarschuwingen betreffende op handen zijnde gebeurtenissen.

Verbazingwekkend en adembeklemmend boven iedere voorstelling en die volslagen buiten het bereik liggen van zelf verblindde ogen. De Christelijke kerk weet helaas deze dingen niet: zelfs haar leiders en leraren weten niet, erger nog zij willen niet weten, hoe duidelijk ook neergeschreven in Gods woord. Duizenden nominale Christenen leven in een paradijs, eens dwazen, volkomen onverontrust en onverschillig en de kleppen die zij over hun ogen geplaatst hebben, hebben hen zo gemaakt. Laat vallen die schellen! Want met deze zal zeker niemand deze grootste dingen zien.

Begin voor u zelf te onderzoeken: Het Woord van God is voor u, en daarin staan vele zaken welke nimmer gepredikt worden, doch die gij kunt begrijpen zonder hulp van wie ook en die voor u van vitaal belang zijn om te weten. Het heeft geen zin om naar de zon te zoeken met een deken over het hoofd, het heeft geen zin om uit te zien naar de maan met een sluier voor de ogen. En het feit, dat er een daadwerkelijk letterlijk Israël bestaat om hernieuwd en hersteld door God, tot zegen te zijn, wijzigt de gehele visie op de toekomst Deze Bijbel-voorzeggingen zijn het enige middel dat wij bezitten om wetenschap te brengen omtrent de opzienbare dingen, die geschieden zullen en om te waarschuwen en ons voorbereid te maken. Toch worden deze niet bestudeerd als zou moeten geschieden, mogelijk worden zij niet geloofd, zeer zeker niet geheel begrepen.

Duizenden ware Christenen hebben niet het flauwste idee welke geweldige zaken het grote boek bevat. En wanneer de Bijbel toevallig eens wordt opengeslagen ter plaatse waar die vermeld staan, dan hebben zij deze aangezien voor dromen in het verleden, van reeds lang gestorven dromers en waarmede wij in deze dagen niets meer te maken hebben. Wij zijn nog niet doorgedrongen tot alle geheimen van Gods woord. Er zijn nog zaken in dit woord welke nog ontdekt moeten worden. En deze zullen ontdekt worden, door wie?

Ze zullen ontdekt worden door hen die Gods Woord geloven. Zij zullen niet ontdekt worden door hen, die niet geloven. God zal zijn openbaringen niet geven aan diegenen, die niet in zijn openbaringen geloven. Aan wie heeft, zal gegeven worden (Mattheüs 13: 12). Het moet zo zijn het kan niet anders wezen, tot de mensen, hoe bekwaam hij ook moge zijn, maar die niet gelooft in Gods Woord, kan nimmer uit dat Woord tot een nieuwe openbaring komen, hij zou die niet geloven indien ze kwamen.

Vele kenners der schrift hebben gesproken en geschreven over de grote dingen van ons tijdperk waarin zich grote veranderingen voltrekken. Maar zeer weinigen van hen hebben geweten dat het letterlijk Israël der tien stammen hersteld zal worden.

De vreemde gebeurtenissen welke naar het woord van de Bijbel met Israël staan te gebeuren, zijn verbazingwekkend, zo vol gevaar, zo vreesaanjagend, zowel in hun verschrikking als in hun bevrijding, dat het van het uiterste belang is om te worden bekend gemaakt en te worden begrepen. Wonderbaarlijke dingen zullen Israël overkomen, vele Schriftplaatsen verklaren dit. Van sommige gebeurtenissen wordt ons zelfs een vluchtige blik op de details gegeven waardoor hun zekerheid nog duidelijker wordt voor onderzoekers.

God heeft ons deze vreemde waarschuwingen niet gegeven om ons bang te maken, doch om ons te waarschuwen voor hetgeen zal gebeuren. En voorts, opdat wij weten zullen, dat dit alles tevoren bestemd is en dat er in voorzien is en dat tenslotte Israël, wat het gedurende dit proces moge ondergaan, daaruit zal te voorschijn treden, gereinigd, gelouterd, verlost en geestelijk veranderd en gered. Het is onmogelijk om te zeggen hoe wij door de geweldige gebeurtenissen van deze periode zullen worden beroerd, zolang wij niet weten, wie wij zijn. De nederigste onderzoeker, die zulks wel weet, zal de grootste geleerde die het niet weet, ver achter zich laten. Laat dit dan bij het onderzoeken dieper opzienbare teksten van de Bijbel onze hoop en ons vertrouwen zijn. Ook ik geloof dat de overgrote meerderheid der Christenen absoluut onwetend is betreffende de ware betekenis van Israël.

En hoe kan dat anders waar onze geestelijke voorgangers zelf van dit alles onkundig zijn of er niets van willen weten. De Bijbel is niet alleen geschreven voor degenen die hebreeuws of Grieks verstaan, zij zijn verantwoordelijk voor de overzetting uit de oorspronkelijke talen in de onze en deze laatste spreekt tot alleen, van de geleerde tot de eenvoudigste. Ook de meesten van ons, die onze Israël-waarheid verkondigen, kennen geen Hebreeuws en geen Grieks, maar wij menen in alle bescheidenheid, dat wij de Nederlandse taal verstaan. Laat men hetgeen wij zeggen en schrijven toetsen aan de Bijbel en niet, zonder deze, alleen maar aan wat sommige theologen beweren over ons en over hetgeen wij verkondigen.

Wij geloven dat Israël zich steeds duidelijker en in versneld tempo zal manifesteren. Maar de schrift zegt, dat niemand zo blind is als Israël. Jesaja 42:19. De theologen in de dagen van Jezus hadden het Oude Testament. Hadden voor hun ogen de merktekenen van de Messias, hadden temidden van hen Jezus Christus, de Zoon van God en nochtans waren zij blind.

In onze dagen ziet men wel de Koning van Israël, Jezus Christus, wel ziet men de geestelijke sfeer welke in Zijn Koninkrijk moet heersen, maar de stoffelijke kern van Zijn Koninkrijk op aarde ziet men niet. Ook dit zal wellicht zo moeten zijn, evenals Kajafas en zijn volgelingen blind moesten zijn om daardoor de profetieën betreffende de Messias in vervulling te doen gaan.

Tot zover een korte Bijbelstudie over het Verloren Huis van Israël. Wilt u meer weten? Dan zijn wij gaarne bereid om u daar verder over in te lichten. Onderzoek alles en bewaar het goede. Gods rijke zegen bij uw verdere studie en een milde zalving van Zijn Heilige Geest.

——–oOo——

 

Dit bericht is geplaatst in Bijbelstudies en getagd . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *